ISW jaar 1 · UvA (AV1)
De complete samenvatting van Academische vaardigheden 1 (AV1) bij ISW aan de UvA, in de volgorde van de colleges: per week de kern, de begrippen en de verbanden die je op het tentamen nodig hebt. Week 1 en 2 lees je gratis met een account in de reader.
Literatuur: Van der Gaast, Koenders en Post, Academische vaardigheden voor interdisciplinaire studies (4e druk), APA-handouts en vijf artikelen
12 hoofdstukken in 5 weken · 120 oefenvragen
Complete Bundel AV1: €15,00 eenmalig (los €20,00 — je bespaart €5,00). Betalen via iDEAL, direct toegang, geen abonnement.
De rest van Academische vaardigheden 1 in één keer: eenmalig betalen via iDEAL, direct toegang, geen abonnement.
Ja, maar alleen over een bepaalde laag van de werkelijkheid. Een inhoudsanalyse van kranten laat zien welke betekenissen mensen aan een voorwerp hechten: wie er volgens de krant op zo'n fiets zit, welke buurt daarbij hoort, welke politieke voorkeur eraan wordt geplakt. Dat is precies wat Boterman wil weten, want zijn stelling gaat over de bakfiets als symbool en over de normen rond goed moeder- en vaderschap. Die normen zijn taal voordat ze gedrag zijn. Hij combineert dat materiaal bovendien met 53 eerdere interviews met Amsterdamse ouders, zodat het coderen niet alleen op zoekwoorden steunt. Wat hij op deze manier niet kan aantonen, zegt hij er zelf bij: of bakfietsen werkelijk het fietspad blokkeren, hoeveel gezinnen er een hebben, en of het beeld van de assertieve moeder klopt. Voor de tellingen geldt hetzelfde: dat bakfietsmoeder drie keer zo vaak valt als bakfietsvader zegt iets over de aandacht in kranten, niet over wie er stuurt.
Deels wel, zou je zeggen: als de papadag doodgewoon wordt, valt er niets meer te prijzen, en dan verdampt ook het symbolisch kapitaal dat de vader er nu aan overhoudt. Het artikel wijst in die richting: het symmetrische deeltijdhuishouden van twee keer 32 uur is in stedelijke middenklassebuurten al gewoon, en daar is de emancipatie volgens een geciteerde columnist zo alledaags dat hij zijn eigen gezin saai noemt. Maar Komter, Keizer en Dykstra (2012) zetten daar iets tegenover: een egalitaire opvatting is niet genoeg, het gaat om wie het werk daadwerkelijk doet, en moeders doen nog steeds het meeste huishoudelijke werk. Bovendien zit de straf voor de moeder niet in de uren maar in de norm van het goede moederschap, en die norm verandert niet automatisch mee met het rooster van vaders. Hoe die twee bewegingen zich tot elkaar verhouden laat het onderzoek open, en dat is precies wat een vervolgvraag waard is.
Omdat introductie en conclusie zeggen wát er onderzocht is, en de methode zegt waarop dat rust. De structuur van een artikel volgt het onderzoek en niet je leesgemak: de introductie en de conclusie zijn de snelste ingang tot de concepten, de theorieën, de manier waarop die geoperationaliseerd zijn en de resultaten die eruit voortkwamen, maar ze zijn geschreven om een boodschap over te brengen.
Het hoofdstuk is daar eerlijk over. Voor wie alleen de essentie van een tekst wil weten, is het detailniveau van de methode vaak niet nodig, en die sectie is bovendien overladen met jargon uit het vakgebied van de onderzoeker. Vluchtig doorkijken is dus genoeg om te zien wat de onderzoekers exact met hun concepten en theorieën gedaan hebben.
Het verschil zit in waarvoor je leest. Lees je voor een tentamen, dan is de essentie het doel en volstaat die vluchtige blik. Schrijf je een literatuurverslag waarin je de bron zelf gebruikt, dan neem je met de conclusie ook een claim over, en dan moet je kunnen zeggen wie er onderzocht is, hoeveel, en op welke manier. Dezelfde houding geldt voor de resultaten: in de beginfase neem je de interpretatie van de auteur over, maar je kijkt wel zelf naar de figuren, want daar staat de hoofdboodschap.
Het argument vóór is sterk en staat in de tekst zelf. Markeren in één kleur maakt een artikel alleen kleuriger, want alles wat belangrijk lijkt krijgt hetzelfde gewicht. Pas als de centrale stelling, de opsomming van argumenten, de concepten, de uitleg, de voorbeelden, de conclusie en de aanbeveling elk hun eigen markering krijgen, komt de betoogslijn naar boven. Je dwingt jezelf bij elke passage tot een oordeel: is dit een claim, een bouwsteen of een illustratie?
Daar staat tegenover dat het hoofdstuk zelf zegt dat lang niet elke tekst die behandeling nodig heeft. Het leerdoel bepaalt tot in welk detail je iets moet begrijpen, en bij "onthouden" of "begrijpen" is een volledige markering waarschijnlijk verspilde moeite. Voor een tekst die je op tentamenniveau moet kunnen toepassen of beoordelen ligt dat anders.
Wat overblijft is een vraag die je zelf moet beantwoorden, want het hoofdstuk doet dat niet. Neem een artikel dat deze week op je leeslijst staat en lees het twee keer: één keer aandachtig zonder stift, één keer met onderscheid in de markering. Welke van de twee levert je een samenvatting op die je een week later nog kunt gebruiken, en hoeveel minuten schelen ze werkelijk?
Ja. Zo'n rapport is grijze literatuur: het komt van een onderzoeksorganisatie, maar er is geen garantie dat onafhankelijke specialisten de inhoud hebben gecontroleerd. Dat maakt het niet onbruikbaar. Bij een afzender als het Centraal Bureau voor de Statistiek, de Verenigde Naties of de Nederlandse overheid mag je vanwege de betrouwbaarheid van de afzender aannemen dat de informatie valide is, en grijze literatuur mag je in de meeste gevallen opnemen in je bronnenlijst. Twee dingen blijven staan. Gebruik er wetenschappelijke bronnen naast, want die zijn wél streng gecontroleerd door de wetenschappelijke gemeenschap. En stel bij elke grijze publicatie dezelfde vragen: wie financierde het onderzoek, en wie heeft belang bij welke uitkomst? Dat is scherper nodig bij een adviesbureau dat over zijn eigen opdrachtgever rapporteert dan bij een statistisch bureau. Twijfel je of een gevonden publicatie aan de eisen voldoet, vraag het dan aan je docent of begeleider.
Het eerste deel van het antwoord is helder. Bij een correlatie meet je concept A en concept B en zie je samenhang; van een causaal verband spreek je pas als je aannemelijk maakt dat A de aanwezigheid van B verklaart (Walliman, 2011). Dat aannemelijk maken is precies het lastige, want je moet twee alternatieven uitsluiten: een derde concept dat allebei verklaart, en een verband dat andersom loopt. Bij "toename in sociale media leidt tot een digitaal afhankelijke cultuur" kan technologische vooruitgang beide veroorzaken, en kan de digitale cultuur net zo goed het mediagebruik opdrijven.
Daarmee heb je de valkuil te pakken, maar nog geen methode. Hoe je zo'n alternatief in de praktijk uitsluit, hoe je je concepten operationaliseert zodat je überhaupt iets kunt meten, en welke onderzoeksopzet je daarvoor kiest, valt buiten deze week: dat komt terug bij de onderzoekspraktijk verderop in het boek. Voor nu is de eerlijke conclusie dat een beginnend onderzoeker vaak niet meer kan zeggen dan "hier is samenhang, en dit zijn de verklaringen die ik niet heb kunnen uitsluiten". Die terughoudendheid is geen zwakte van je verslag, het is het verschil tussen een uitspraak die klopt en een uitspraak die te ver gaat.