Vragen over Academische vaardigheden 1 (AV1)

De vragen en discussies die bij Academische vaardigheden 1 horen: verbanden, tegenstellingen en denkfouten uit de stof. 24 vragen, waarvan 24 met een antwoord dat vrij te lezen is.

Boterman (2020): Carrying class and gender

Boterman onderzoekt hoe er over bakfietsouders geschreven wordt, niet hoe die ouders zich gedragen. Kun je op die manier iets zeggen over klasse en gender in de stad?

Ja, maar alleen over een bepaalde laag van de werkelijkheid. Een inhoudsanalyse van kranten laat zien welke betekenissen mensen aan een voorwerp hechten: wie er volgens de krant op zo'n fiets zit, welke buurt daarbij hoort, welke politieke voorkeur eraan wordt geplakt. Dat is precies wat Boterman wil weten, want zijn stelling gaat over de bakfiets als symbool en over de normen rond goed moeder- en vaderschap. Die normen zijn taal voordat ze gedrag zijn. Hij combineert dat materiaal bovendien met 53 eerdere interviews met Amsterdamse ouders, zodat het coderen niet alleen op zoekwoorden steunt. Wat hij op deze manier niet kan aantonen, zegt hij er zelf bij: of bakfietsen werkelijk het fietspad blokkeren, hoeveel gezinnen er een hebben, en of het beeld van de assertieve moeder klopt. Voor de tellingen geldt hetzelfde: dat bakfietsmoeder drie keer zo vaak valt als bakfietsvader zegt iets over de aandacht in kranten, niet over wie er stuurt.

De bakfietsvader krijgt applaus voor het deeltijdwerk waarvoor de bakfietsmoeder verwijten krijgt. Verdwijnt dat verschil vanzelf als meer vaders in deeltijd gaan werken?

Deels wel, zou je zeggen: als de papadag doodgewoon wordt, valt er niets meer te prijzen, en dan verdampt ook het symbolisch kapitaal dat de vader er nu aan overhoudt. Het artikel wijst in die richting: het symmetrische deeltijdhuishouden van twee keer 32 uur is in stedelijke middenklassebuurten al gewoon, en daar is de emancipatie volgens een geciteerde columnist zo alledaags dat hij zijn eigen gezin saai noemt. Maar Komter, Keizer en Dykstra (2012) zetten daar iets tegenover: een egalitaire opvatting is niet genoeg, het gaat om wie het werk daadwerkelijk doet, en moeders doen nog steeds het meeste huishoudelijke werk. Bovendien zit de straf voor de moeder niet in de uren maar in de norm van het goede moederschap, en die norm verandert niet automatisch mee met het rooster van vaders. Hoe die twee bewegingen zich tot elkaar verhouden laat het onderzoek open, en dat is precies wat een vervolgvraag waard is.

Hoofdstuk 2: Essentie uit kennis halen en deze ordenen

Als introductie en conclusie al vertellen welke concepten centraal staan en wat eruit kwam, waarom zou je de methodesectie dan nog openslaan?

Omdat introductie en conclusie zeggen wát er onderzocht is, en de methode zegt waarop dat rust. De structuur van een artikel volgt het onderzoek en niet je leesgemak: de introductie en de conclusie zijn de snelste ingang tot de concepten, de theorieën, de manier waarop die geoperationaliseerd zijn en de resultaten die eruit voortkwamen, maar ze zijn geschreven om een boodschap over te brengen.

Het hoofdstuk is daar eerlijk over. Voor wie alleen de essentie van een tekst wil weten, is het detailniveau van de methode vaak niet nodig, en die sectie is bovendien overladen met jargon uit het vakgebied van de onderzoeker. Vluchtig doorkijken is dus genoeg om te zien wat de onderzoekers exact met hun concepten en theorieën gedaan hebben.

Het verschil zit in waarvoor je leest. Lees je voor een tentamen, dan is de essentie het doel en volstaat die vluchtige blik. Schrijf je een literatuurverslag waarin je de bron zelf gebruikt, dan neem je met de conclusie ook een claim over, en dan moet je kunnen zeggen wie er onderzocht is, hoeveel, en op welke manier. Dezelfde houding geldt voor de resultaten: in de beginfase neem je de interpretatie van de auteur over, maar je kijkt wel zelf naar de figuren, want daar staat de hoofdboodschap.

Markeren in zeven kleuren kost meer tijd dan een tekst gewoon aandachtig lezen. Verdient systematisch lezen die tijd terug?

Het argument vóór is sterk en staat in de tekst zelf. Markeren in één kleur maakt een artikel alleen kleuriger, want alles wat belangrijk lijkt krijgt hetzelfde gewicht. Pas als de centrale stelling, de opsomming van argumenten, de concepten, de uitleg, de voorbeelden, de conclusie en de aanbeveling elk hun eigen markering krijgen, komt de betoogslijn naar boven. Je dwingt jezelf bij elke passage tot een oordeel: is dit een claim, een bouwsteen of een illustratie?

Daar staat tegenover dat het hoofdstuk zelf zegt dat lang niet elke tekst die behandeling nodig heeft. Het leerdoel bepaalt tot in welk detail je iets moet begrijpen, en bij "onthouden" of "begrijpen" is een volledige markering waarschijnlijk verspilde moeite. Voor een tekst die je op tentamenniveau moet kunnen toepassen of beoordelen ligt dat anders.

Wat overblijft is een vraag die je zelf moet beantwoorden, want het hoofdstuk doet dat niet. Neem een artikel dat deze week op je leeslijst staat en lees het twee keer: één keer aandachtig zonder stift, één keer met onderscheid in de markering. Welke van de twee levert je een samenvatting op die je een week later nog kunt gebruiken, en hoeveel minuten schelen ze werkelijk?

Hoofdstuk 1 en APA Handout 1: Wetenschappelijke literatuur vinden en lezen

Een rapport van het Centraal Bureau voor de Statistiek is niet peerreviewed. Mag je het dan gebruiken als bron in je literatuurverslag?

Ja. Zo'n rapport is grijze literatuur: het komt van een onderzoeksorganisatie, maar er is geen garantie dat onafhankelijke specialisten de inhoud hebben gecontroleerd. Dat maakt het niet onbruikbaar. Bij een afzender als het Centraal Bureau voor de Statistiek, de Verenigde Naties of de Nederlandse overheid mag je vanwege de betrouwbaarheid van de afzender aannemen dat de informatie valide is, en grijze literatuur mag je in de meeste gevallen opnemen in je bronnenlijst. Twee dingen blijven staan. Gebruik er wetenschappelijke bronnen naast, want die zijn wél streng gecontroleerd door de wetenschappelijke gemeenschap. En stel bij elke grijze publicatie dezelfde vragen: wie financierde het onderzoek, en wie heeft belang bij welke uitkomst? Dat is scherper nodig bij een adviesbureau dat over zijn eigen opdrachtgever rapporteert dan bij een statistisch bureau. Twijfel je of een gevonden publicatie aan de eisen voldoet, vraag het dan aan je docent of begeleider.

Als een correlatie nooit bewijst dat het een het ander veroorzaakt, hoe weet een onderzoeker dan ooit dat A tot B leidt?

Het eerste deel van het antwoord is helder. Bij een correlatie meet je concept A en concept B en zie je samenhang; van een causaal verband spreek je pas als je aannemelijk maakt dat A de aanwezigheid van B verklaart (Walliman, 2011). Dat aannemelijk maken is precies het lastige, want je moet twee alternatieven uitsluiten: een derde concept dat allebei verklaart, en een verband dat andersom loopt. Bij "toename in sociale media leidt tot een digitaal afhankelijke cultuur" kan technologische vooruitgang beide veroorzaken, en kan de digitale cultuur net zo goed het mediagebruik opdrijven.

Daarmee heb je de valkuil te pakken, maar nog geen methode. Hoe je zo'n alternatief in de praktijk uitsluit, hoe je je concepten operationaliseert zodat je überhaupt iets kunt meten, en welke onderzoeksopzet je daarvoor kiest, valt buiten deze week: dat komt terug bij de onderzoekspraktijk verderop in het boek. Voor nu is de eerlijke conclusie dat een beginnend onderzoeker vaak niet meer kan zeggen dan "hier is samenhang, en dit zijn de verklaringen die ik niet heb kunnen uitsluiten". Die terughoudendheid is geen zwakte van je verslag, het is het verschil tussen een uitspraak die klopt en een uitspraak die te ver gaat.

Maheux et al. (2020): Normen van populaire leeftijdsgenoten en sexting onder adolescenten

Als populaire leerlingen niet vaker sexten dan de rest, waarom denkt bijna iedereen dan van wel?

Het onderzoek laat het patroon zien en geeft er twee aanknopingspunten voor. Populaire jongeren zijn dominant en vallen op in de groep, en daardoor weegt hun gedrag onevenredig zwaar in wat als gewoon geldt. En de overschatting is niet uniek voor sexting: jongeren schatten het riskante gedrag van hooggeplaatste klasgenoten breder te hoog in, en die overschatting hangt samen met hun eigen risicogedrag (Helms et al., 2014). Wat de auteurs niet meten, is hoe dat beeld ontstaat: praten leerlingen erover, zien ze iets voorbijkomen, of vullen ze zelf in wat bij het imago past? Dat de perceptie zo ver naast de opgave van de populaire leerlingen zelf ligt, is precies waarom de auteurs die overtuiging een aangrijpingspunt voor interventies noemen.

Kun je op grond van dit onderzoek zeggen dat het beeld van populaire klasgenoten sextgedrag veroorzaakt?

Nee, en de auteurs beweren dat ook niet. Alles is op één moment gemeten, dus de volgorde in de tijd ligt niet vast: het kan net zo goed zijn dat wie zelf sext, aanneemt dat populaire klasgenoten dat ook doen. Dat het verband groot blijft na controle voor sekse en seksuele activiteit maakt het sterker, maar sluit die omkering niet uit. Blijft de vraag wat je dan wél zou moeten meten om er uit te komen. De auteurs noemen meerdere meetmomenten; de moeilijkere vraag is welk verschil je dan precies verwacht te zien, en op welk moment een beeld van de norm eigenlijk gevormd wordt.

Naezer en Krebbekx (2019): Sexting vanuit het perspectief van jongeren

Waarom vinden Naezer en Krebbekx het een probleem dat onderzoek en voorlichting vooral naar de negatieve gevolgen van sexting kijken?

Omdat die eenzijdige aandacht een script in stand houdt dat het beeld stuurt van iedereen die met een incident te maken krijgt. In dat script maakt en stuurt een meisje materiaal, verspreidt een jongen het en blijft zij vernederd achter. Wie dat verhaal als uitgangspunt neemt, stelt bij een incident de verkeerde vraag ("waarom stuurde zij die foto?") en legt de verantwoordelijkheid bij de afgebeelde persoon in plaats van bij degene die zonder toestemming doorstuurde. Uit het veldwerk van de auteurs komt een ander beeld: sexting draagt voor jongeren bij aan avontuur, intimiteit, identiteit en leren over seksualiteit, verspreiders zijn zowel meiden als jongens, en er spelen minstens zes motieven mee. Hun voorstel is daarom niet om de risico's te ontkennen, maar om sexting en de ongewenste verspreiding ervan uit elkaar te halen, zodat het gesprek genuanceerd kan worden en de aanpak terechtkomt bij het gedrag dat de schade veroorzaakt.

Het veldwerk liep van 2012 tot 2018 en vond plaats in Nederland. Wat zou je moeten weten voordat je deze conclusies op de situatie van nu toepast?

De auteurs stellen deze vraag zelf in hun discussie, en ze laten hem bewust open. Een deel van de conclusies lijkt weinig tijdgebonden: dat een script bepaalt hoe omstanders reageren, dat de verspreider en niet de maker de toestemming schendt, en dat motieven uiteenlopen, zijn claims over sociale mechanismen en niet over een bepaald platform. Tegelijk is een ander deel wel aan de periode gebonden. De platforms uit het veldwerk zijn deels andere dan die van nu, en ook de wet, het schoolbeleid en de publieke discussie zijn sindsdien veranderd. Wat je zou willen weten, is welk van de twee lagen je in handen hebt: verandert er iets aan de mechanismen, of alleen aan de vorm waarin ze zich voordoen? Dat valt uit dit artikel niet af te leiden. Wie erover verder wil denken, kan het beste beginnen bij de vraag welke bevinding zou moeten veranderen als het script zelf zou verschuiven, en welke observatie dat dan zou laten zien.

APA Handout 2, hoofdstuk 11 en 12: Verwijzen, plagiaat en fraude

Hoe weet je of iets "algemeen bekend" is en dus geen verwijzing nodig heeft?

Er bestaat geen lijst van feiten die je zonder bron mag opschrijven, en dat is precies wat het lastig maakt. Het criterium is niet wat jij weet, maar wat binnen de discipline waarvoor je schrijft als bekend mag worden verondersteld. Dat water kookt bij honderd graden Celsius hoeft geen bron; dat sociale klasse samenhangt met schoolkeuze wel, want dat is een onderzoeksuitkomst en geen alledaagse kennis. Twee vuistregels helpen. De eerste: kun je het feit terugvinden in de literatuur die je toch al leest, dan verwijs je gewoon; het kost één regel en je bent ervan af. De tweede: heb je het ergens gehoord of gelezen en weet je niet meer waar, dan is dat juist een teken dat het geen algemene kennis is maar een idee van iemand anders. Zoek in dat geval een bron. Zolang je twijfelt, kies je de veilige route: liever een bron te veel dan een bron te weinig. Naarmate je meer wetenschappelijke teksten uit je eigen vakgebied leest, ga je vanzelf zien welke beweringen auteurs daar zonder verwijzing opschrijven.

Waar ligt de grens tussen data opschonen en fraude?

Dit is een grijs gebied, en dat is geen slappe formulering. De uiterste gevallen zijn duidelijk. Iemand die bij leeftijd 183 invult heeft een typefout gemaakt en die waarde laat je uit je analyse; data verzinnen of aanpassen om een mooier resultaat te krijgen is fraude. Daartussen zit het echte probleem: de proefpersoon met een veel langere reactietijd. De statistiek geeft handvatten om te bepalen of zo'n datapunt een outlier is, maar die handvatten vertellen je niet wat je moet doen, ze geven je een criterium waar je zelf voor kiest. En daar zit de kern: hetzelfde besluit kan zorgvuldig of oneerlijk zijn, afhankelijk van wanneer je het neemt en waarom. Wie de grens vooraf vastlegt en zich eraan houdt, doet iets anders dan wie pas gaat opschonen nadat de analyse tegenviel, ook al ziet de dataset er achteraf identiek uit. Dat maakt de vraag lastig te beantwoorden met een regel; wat wél helpt, is de verantwoording. Zet in je verslag welke keuze je hebt gemaakt en waarom, overleg met je docent hoever je mag gaan, en bedenk dat een tegenvallend resultaat niets zegt over de kwaliteit van je onderzoek. Of die openheid alle twijfelgevallen oplost, valt te betwijfelen, maar zonder die openheid is er helemaal geen verschil meer tussen opschonen en fraude.

Forchtner en Lubarda (2023): Scepticisms and beyond

Als 433 van de 792 teksten antropogene klimaatverandering aanvaarden, waarom heet dit artikel dan "Scepticisms and beyond"?

Omdat de titel precies de verschuiving benoemt die de auteurs meten. Het meervoud "scepticisms" zegt dat scepsis niet één ding is: twijfel aan het bewijs, twijfel aan de processen rond kennis en besluitvorming, en twijfel aan de maatregelen zijn drie verschillende houdingen, en de laatste twee kunnen bestaan zonder de eerste. Het "beyond" slaat op twee dingen tegelijk. Ten eerste dat het verzet tegen klimaatbeleid voorbij de ontkenning ligt: van 1.123 sceptische coderingen vallen er 573 onder responsscepsis en 400 onder procesescepsis, tegen 150 onder bewijsscepsis. Ten tweede dat er naast alle scepsis 582 pro-milieuargumenten staan, die niet in een sceptisch model passen en waarvoor de auteurs een aparte lijst moesten maken. Wie alleen telt hoeveel sprekers de klimaatwetenschap ontkennen, meet dus het kleinste deel van het verhaal, en dat is de reden dat het artikel bestaat.

Bijna de helft van de 792 teksten komt van twee partijen. Blijft zo'n scheef corpus bruikbaar?

De auteurs zien het probleem en noemen het zelf een beperking: de uitkomsten zijn er tot op zekere hoogte door gekleurd, vooral waar het gaat om bewijsscepsis en om de pro-milieuargumenten, die grotendeels van telkens dezelfde partijen komen. Ze noemen ook waarom ze niet ingrijpen. Bijsturen zou bijvoorbeeld kunnen door frequenties te wegen, maar bij partijen met soms een handvol teksten maakt een weging het beeld eerder minder betrouwbaar dan meer, en de opzet was juist om het hele spectrum te dekken in plaats van een keurig gelijk verdeelde steekproef.

Daarmee is de vraag nog niet af, en dat is ook het interessante eraan. De scheefheid is namelijk niet alleen een meetfout: partijen die meer zetels halen, spreken vaker, dus de verdeling weerspiegelt ook de werkelijke verhoudingen in het parlement. Of je die ongelijkheid moet wegpoetsen hangt af van wat je wilt weten, en juist dat staat niet expliciet in het artikel. Denk zelf verder: wil je weten hoe uiterst rechtse ideologie over klimaat spreekt, of hoe vaak een parlementslid in dit parlement zoiets te horen krijgt? Voor de ene vraag is het corpus scheef, voor de andere misschien wel precies goed.

Hoofdstuk 4 en 5: Van onderwerp tot een goede vraagstelling

Een vraag moet precies zijn, maar ook relevant. Kun je een vraag zo ver afbakenen dat hij zijn relevantie verliest?

Ja, en dat is precies de spanning die het afbakenen zo lastig maakt. Precisie vraagt dat je van "de agrarische sector" naar "de gewasteelt van aardappelen in Flevoland" gaat, zodat duidelijk is wat je meet. Relevantie vraagt dat je kunt uitleggen waarom iemand het antwoord wil weten. Die twee trekken aan hetzelfde touw: elke stap naar één casus maakt de vraag beantwoordbaarder en tegelijk kleiner van bereik. De uitweg zit niet in minder afbakenen, maar in de koppeling terug naar het theoretisch kader. Je onderzoekt een specifieke casus omdat die casus iets zegt over een algemenere kennislacune, en dat is wat je in je probleemstelling opschrijft. De vraag "In hoeverre heeft de gewasteelt van aardappelen in Flevoland invloed op eutrofiëring in deze regio?" is relevant zolang duidelijk is dat hierover in de literatuur nog niets bekend is en dat andere regio's of gewassen met hetzelfde probleem kampen. Verlies je die koppeling, dan houd je een keurig afgebakende vraag over waarvan niemand snapt waarom hij gesteld wordt. Vuistregel: laat je vraag zo smal als nodig zijn om hem te kunnen beantwoorden, en je probleemstelling zo breed als nodig om hem te kunnen verantwoorden.

Het integreren van inzichten uit twee onderzoeksvelden geldt als het ultieme doel van interdisciplinair onderzoek. Maar wanneer is iets integratie en wanneer zijn het twee losse verhalen achter elkaar?

Het onderscheid ligt waarschijnlijk in wat er met de concepten gebeurt. Twee losse verhalen herken je eraan dat elke discipline haar eigen begrip intact houdt: de natuurwetenschapper meet watergebruik, de geesteswetenschapper analyseert hoe water wordt gerepresenteerd, en de conclusie zet beide naast elkaar. Bij integratie verandert er iets aan het begrip zelf. Het voorbeeld van Da Cunha (2018) wijst die kant op: als je water definieert op het moment van neerslag in plaats van bij de waterstromen die tot consumptie leiden, dan is er geen twee keer "watergebruik" meer, maar één concept waarover de disciplines het oneens zijn en waarover ze dus iets moeten afspreken.

Waar het hier ophoudt: hoe zo'n afspraak eruitziet en wie hem maakt, blijft open. Menken en Keestra (2016) werken dit verder uit, en de vervolgstap komt pas bij het operationaliseren. Het eerlijke antwoord is daarom dat de integratie híer nog niet meer is dan de uitnodiging tot debat, en dat je in je eigen kader in elk geval moet laten zien dat je die uitnodiging hebt gezien.

Hoofdstuk 1 en 3 en de CRAAP-test: Literatuur zoeken en beoordelen

Je mag niet naar Wikipedia verwijzen. Waarom zou je de pagina dan überhaupt openen?

Omdat lezen en verwijzen twee verschillende dingen zijn. Wikipedia is geen betrouwbare bron: iedereen kan er in principe informatie aanpassen en er is weinig controle op de inhoud, en daarom komt zo'n pagina nooit in je bronnenlijst. Wat een overzichtspagina wel doet, is je de weg wijzen. Er staan vaak gedetailleerde beschrijvingen van theorieën en bevindingen, soms met een nuttige bronvermelding, en bijna altijd de naam van de wetenschapper of de publicatie die bij die theorie of methode hoort. Met die naam ga je naar Web of Science of Scopus, en daar vind je het peerreviewde artikel dat je wél mag gebruiken. Dezelfde redenering geldt voor Google: een bedrijf met commerciële belangen, maar met search operators als filetype:pdf een prima startpunt. De vuistregel is dat zulke bronnen een middel zijn tot een ander doel, namelijk het vinden en leren begrijpen van wetenschappelijke publicaties. Gaat het mis, dan is dat meestal omdat iemand bij het middel blijft steken en de theorie navertelt zoals de encyclopedie hem samenvat, in plaats van de oorspronkelijke tekst te lezen.

Ordenen op referenties zet de meest geciteerde artikelen bovenaan. Sluit je daarmee niet precies het nieuwe onderzoek uit dat je zoekt?

Voor een deel wel, en dat is een spanning waar je je bewust van moet zijn. Ordenen op referenties is in de voorbereidende fase het handigst, omdat de vaakst gebruikte artikelen laten zien welke debatten het meest gevoerd worden en welk onderzoek het meest is uitgevoerd op jouw terrein. Maar precies dat criterium bevoordeelt wat er al ligt: een artikel van vorige maand kan nog door niemand geciteerd zijn, en weinig verwijzingen betekenen niet dat het onderzoek ondeugdelijk is, alleen dat het veld het nog niet heeft opgemerkt of dat het net is uitgekomen. Andersom kan een hoge citatiescore duiden op controversieel of slecht onderzoek. De voor de hand liggende oplossing is combineren: eerst ordenen op referenties voor het overzicht, daarna op jaartal voor het recente werk, en vanuit je beste artikel doorzoeken met 'cited by'. Wat daarmee nog niet is opgelost, is hoe zwaar je die nieuwe studies mag laten wegen in je theoretisch kader zolang niemand anders ze heeft beoordeeld. Denk daar zelf over na, en leg het voor in de werkgroep.

Van Dijk et al. (2023): Roomies for Life

Mag je concluderen dat iets "werkt" als je onderzoek bestaat uit wat deelnemers zelf over hun ervaring invullen?

Binnen grenzen wel, maar je moet die grenzen benoemen. Dit onderzoek laat zien wat gasten en hosts zelf herkennen als vooruitgang, en hoe dat gebeurt: welke steun, van wie, op welk moment. Dat is precies waar open antwoorden goed in zijn, en het verklaart waarom de auteurs mechanismen kunnen beschrijven die in beleidscijfers onzichtbaar blijven. Wat je er niet mee kunt: zeggen hoeveel beter iemand het doet dan een vergelijkbare vluchteling die in het azc bleef. Daarvoor zou je twee groepen moeten volgen en uitkomsten moeten meten. Wie het artikel aanhaalt, schrijft dus "deelnemers ervaren vooruitgang op alle tien domeinen" en niet "logeren bij een local verhoogt de integratie met x procent". Dat onderscheid, tussen wat een bron laat zien en wat je er in je verslag van maakt, is precies waar de beoordeling van jouw literatuurverslag over gaat.

Als hosts zich zo veel aanpassen, van wie mag je integratie dan eigenlijk vragen?

Het artikel zet twee dingen naast elkaar die niet vanzelf samengaan. Aan de ene kant: integratie is tweerichtingsverkeer, hosts leveren privacy in, passen hun huishouden aan en veranderen daar zelf van. Aan de andere kant: de auteurs voeren refugee agency juist op als ontbrekend domein, met motivatie om te integreren als kern, en halen een host aan die de gast te weinig inzet verwijt. Wie dat naast elkaar legt, ziet een spanning die het artikel niet oplost: hoeveel inspanning je van de nieuwkomer verwacht is een normatieve keuze, en die keuze zit verstopt in de woorden waarmee onderzoekers hun domeinen benoemen. Denk zelf verder: is "motivatie" een eigenschap van de gast, of iets wat in een goede match ontstaat? En wat zou het voor het raamwerk betekenen als je hetzelfde over de host zou meten?

Hoofdstuk 3: Grondig en kritisch bestuderen

Als je een tekst zo fijn uit elkaar trekt, lees je dan nog wel wat de auteur bedoelt?

Ontleden is geen manier van lezen maar een noodgreep. Je haalt de zinnen uit elkaar als de theorie lastig is of de argumentatielijn niet loopt, precies zoals je een tekst in een vreemde taal eerst woord voor woord vertaalt. Het zijn zijwieltjes: zodra het jargon je eigen wordt en je leestechniek verbetert, heb je ze niet meer nodig. Bovendien werkt het maar één kant op als je erin blijft hangen. Het doel is de hele zin begrijpen, en daarna de betekenis van de concepten en theorieën die erin staan. Voor tentamenstof leren of snel overzicht krijgen van een onderzoeksveld volstaan snellezen en systematisch lezen trouwens gewoon.

Mag je een artikel afwijzen omdat het in een tijdschrift met een lage impactfactor staat?

De checklist zegt van niet: ook tijdschriften met een lagere impactfactor publiceren goed onderzoek, en een hoge citatiescore kan juist duiden op controversieel of slecht werk. Tegelijk moet je ergens op afgaan, want je kunt niet elk artikel helemaal narekenen, en de vier criteria spreken elkaar soms tegen: een artikel met een heldere opzet in een onbekend tijdschrift naast een veelgeciteerd stuk dat zijn beperkingen nergens noemt. Welke criteria wegen bij jouw onderwerp dan het zwaarst, en wat zeg je daarover in je literatuurverslag?

Hoofdstuk 9 en Appendix A: De structuur van je artikel

Een literatuurverslag leunt volledig op onderzoek van anderen. Waarom mag het dan toch geen verzameling samenvattingen zijn?

Omdat de waarde van zo'n verslag niet in de artikelen zit maar in de ordening ervan. Je stelt zelf een vraagstelling op, splitst die in deelvragen, en zoekt per deelvraag uit wat alle relevante onderzoeken daarover zeggen. Daarmee ontstaat iets wat in geen van de bronnen staat: een antwoord op jouw vraag, met een subconclusie waarin je ook verklaart waarom uitkomsten uiteenlopen. Wie per artikel een paragraaf schrijft, laat dat werk juist aan de lezer over en selecteert bovendien niet: uit een artikel met drie experimenten neem je alleen het experiment mee dat er voor jouw deelvraag toe doet. De inhoudelijke kop is de eenvoudigste test. Lukt het je om boven een paragraaf een kop te zetten die over de inhoud gaat in plaats van over een auteur, dan heb je de artikelen verbonden.

Twee artikelen binnen dezelfde deelvraag spreken elkaar tegen. Wat doe je daarmee in je paragraaf?

Wegstrepen is in elk geval geen optie, en kiezen voor de uitkomst die jou het beste uitkomt evenmin. De opbouw van een paragraaf geeft je twee plekken om iets met de tegenspraak te doen. De eerste is de evaluatie direct na de beschrijving van een onderzoek: als de opzet van het ene onderzoek een zwakte heeft die het verschil kan verklaren, bijvoorbeeld een andere steekproef of een andere uitkomstmaat, dan hoort die observatie daar, met een bronvermelding als je hem van iemand anders overneemt. De tweede is de subconclusie, waar je expliciet de verklaringen voor tegenstrijdige resultaten geeft. Wat we hier open laten is het lastigste geval: wat als beide onderzoeken degelijk zijn en je geen verklaring vindt? Dan moet je deelvraag waarschijnlijk voorzichtiger beantwoord worden dan je had gehoopt, en verschuift een deel van het verhaal naar je limitaties en je suggesties voor vervolgonderzoek. Hoe ver je daarin gaat, hangt af van hoeveel ruimte je verslag heeft.

Samenvatting Academische vaardigheden 1 · Oefenen met Academische vaardigheden 1 · Bekijk prijzen