ISW jaar 2 · UvA (OM2)
De complete samenvatting van Onderzoeksmethoden 2: Verdieping kwalitatieve technieken (OM2) bij ISW aan de UvA, in de volgorde van de colleges: per week de kern, de begrippen en de verbanden die je op het tentamen nodig hebt. Week 1 en 2 lees je gratis met een account in de reader.
Literatuur: Boeije, Analysis in Qualitative Research; Bryman, Social Research Methods
18 hoofdstukken in 6 weken · 360 flashcards · 180 oefenvragen · 70 open vragen met modelantwoord
Complete Bundel OM2: €22,00 eenmalig (los €28,00 — je bespaart €6,00). Betalen via iDEAL, direct toegang, geen abonnement.
De rest van Onderzoeksmethoden 2: Verdieping kwalitatieve technieken in één keer: eenmalig betalen via iDEAL, direct toegang, geen abonnement.
Bekijk prijzen · Oefenen met Onderzoeksmethoden 2: Verdieping kwalitatieve technieken · Veelgemaakte fouten bij Onderzoeksmethoden 2: Verdieping kwalitatieve technieken
Het eerstepersoonsperspectief (emic) is kijken door de ogen van de onderzochten: welke betekenis geven zij zelf aan wat ze meemaken. Het derdepersoonsperspectief (etic) is de theoretische blik van de onderzoeker. Zonder het eerste stel je alleen vast dát religie en vaccinatiegraad samenhangen, zoals bij Ruijs en collega's. Met het eerste begrijp je welk mechanisme dat verband maakt: welke geloofsopvatting, welke rol van de gemeenschap. Kwalitatief onderzoek zoekt het waarom, niet het hoe vaak.
Ruijs en collega's melden dat zij geen binding hebben met de gereformeerde kerken, en zij analyseerden in teamverband. Dat maakt hun positie zichtbaar, maar het haalt haar niet uit het gesprek: de vragen zijn al gesteld. Reflexiviteit levert dus vooral controleerbaarheid op. Wat repareer je daarmee, en wat schrijf je alleen eerlijk op?
Een descriptieve vraag gaat over wat representatie is, tegenover een normatieve vraag over wat een vertegenwoordiger hoort te doen. Descriptieve representatie is iets anders: Pitkins opvatting dat de vertegenwoordiger op de vertegenwoordigden lijkt, in uiterlijk, ervaring of gedeelde belangen. Je kunt dus een normatieve vraag stellen over descriptieve representatie, bijvoorbeeld of gelijkenis mag meewegen bij je stem. Zeg in je eigen tekst daarom altijd welke van de twee je bedoelt.
Volgens Pitkin zijn het er twee: gelijkenis (descriptief) en handelen in jouw belang (substantieel). De deelnemer leidt het tweede uit het eerste af, en dat is precies de stap waarvan Pitkin zegt dat je er niet op kunt rekenen. Codeer je die zin dan met twee codes, of is de koppeling zelf je bevinding?
Omdat hun vraag zelf een groepsvraag is: wie hoort bij “ons” en wie vertegenwoordigt ons. In een groepsgesprek onderhandelen deelnemers daarover met elkaar, en die interactie is de data. Zo werd zichtbaar hoe zij de staatscategorieën van de overheid omvormen tot “geracialiseerde Nederlanders” of “minderheden”. Een interview levert wel de eigen identificatie op, maar niet het proces waarin een groep die identificatie samen bijstelt.
Zij zeggen het zelf: zelfidentificatie kan de categorie niet vervangen, want je hebt haar nodig om je deelnemers te vinden. De kritiek geldt de analyse, niet de werving. Waar ligt in jouw eigen voorstel de grens tussen een categorie als ingang en een categorie als bevinding?