ISW jaar 2 · UvA (OM2)

Vakanalyse Onderzoeksmethoden 2: Verdieping kwalitatieve technieken

Welke onderwerpen krijgen de meeste ruimte, waar liggen de punten en wat kost de meeste denkkracht? De stof van Onderzoeksmethoden 2: Verdieping kwalitatieve technieken doorgerekend, met de plekken waar studenten in dit vak de mist in gaan. Gratis te lezen.

Hieronder lees je hoe de stof van Onderzoeksmethoden 2 over twaalf onderwerpen verdeeld is, hoe zwaar elk onderwerp meeweegt in je beoordeling en hoeveel denkwerk het kost. In dit vak word je beoordeeld op wat je zelf maakt: een onderzoeksvoorstel, een interview- of focusgroepopdracht en een artikel, binnen een groepsproject over politieke representatie. Elke grafiek is daarom vertaald naar die drie dingen die je inlevert, en naar het moment in het blok waarop je ze nodig hebt. De laatste sectie verdeelt je tijd over de zes weken van de leesplanning.

Onderwerpen van Onderzoeksmethoden 2: Verdieping kwalitatieve technieken naar aandeel, gewicht in de beoordeling, moeilijkheid en studietijd
OnderwerpAandeel in de stofgewicht in de beoordelingMoeilijkheidStudietijd
Uitgangspunten kwalitatief onderzoek7%7%3 van 57%
Representatie als thema10%10%3 van 59%
Kwalitatief en kwantitatief6%5%3 van 55%
Onderzoeksvraag en literatuur5%5%3 van 55%
Steekproef en casusselectie7%8%4 van 58%
Twee benaderingen van analyse4%4%4 van 55%
Interviews en focusgroepen11%10%3 van 59%
Reflexiviteit en positionaliteit10%10%4 van 510%
Ethiek in het veld7%7%3 van 57%
Kwaliteit van onderzoek7%8%4 van 58%
Coderen en analyseren21%21%5 van 522%
Rapporteren5%5%2 van 55%

Aandeel in de stof

De stof is niet gelijk over de twaalf onderwerpen verdeeld. Coderen en analyseren is met 21 procent verreweg het grootste: Boeije hoofdstuk 6, de paragrafen 7.2 en 7.3 en de tekst van Fujii vullen samen ruim een vijfde van alles wat je leest. Daarna volgen Interviews en focusgroepen met 11 procent, en Representatie als thema en Reflexiviteit en positionaliteit met elk 10 procent. Het kleinste onderwerp is Twee benaderingen van analyse, 4 procent, met Onderzoeksvraag en literatuur en Rapporteren daar vlak boven op 5 procent. Omvang is hier niet hetzelfde als belang. Twee benaderingen van analyse beslaat maar tien bladzijden, maar de keuze die erin staat, theorie ontwikkelen of theorie toetsen, stuurt je hele opzet en daarmee ook je steekproef en je analyse. Rapporteren is met 5 procent klein en komt pas in week 6, terwijl Boeije paragraaf 9.4 wel de meetlat is waarlangs je artikel gelegd wordt. Lees het aandeel dus als een schatting van je leestijd, niet als een rangorde van wat ertoe doet. Voor die rangorde is de tweede grafiek er.

Zo pak je het aan: Schrijf de twaalf onderwerpen op een A4 en zet achter elk onderwerp in welk product je het gebruikt: je voorstel, je dataverzameling of je artikel. Blijft er een onderwerp over waar niets achter komt, dan heb je nog niet scherp waar het voor dient. Dat is een betere check dan het aantal bladzijden.

Gewicht in de beoordeling

De tweede grafiek laat zien waar het gewicht in de beoordeling ligt, en die verdeling wijst rechtstreeks naar de drie dingen die je inlevert. Je onderzoeksvoorstel leunt op Steekproef en casusselectie (8 procent), Uitgangspunten kwalitatief onderzoek (7 procent), Onderzoeksvraag en literatuur (5 procent) en Twee benaderingen van analyse (4 procent). Daar leg je vast wie je onderzoekt, waarom juist zij, en wat je met de gesprekken wilt gaan doen. Je interview- of focusgroepopdracht draait om Interviews en focusgroepen (10 procent), Reflexiviteit en positionaliteit (10 procent) en Ethiek in het veld (7 procent). Reflexiviteit telt daar zwaar, want er wordt een aparte alinea over je eigen positie verwacht en die wordt ook apart nagekeken. Je artikel wordt gedragen door Coderen en analyseren, met 21 procent het zwaarste onderwerp van het vak, plus Kwaliteit van onderzoek (8 procent) en Rapporteren (5 procent). Eén onderwerp hoort bij alle drie: Representatie als thema, 10 procent. De vier opvattingen van Pitkin zijn de begrippen waarmee je straks codeert, dus je gebruikt ze in je voorstel, in je gespreksleidraad en in je artikel.

Zo pak je het aan: Schrijf je alinea over je eigen positie meteen na je eerste gesprek, niet pas aan het eind. Zet er drie dingen in: wie jij bent voor deze respondent, wat dat met het gesprek deed, en wat je daardoor anders leest in het transcript. Dat is 10 procent van het gewicht in een halve pagina.

Moeilijkheidsgraad van de onderwerpen

Denkwerk en omvang lopen in dit vak uit elkaar. Coderen en analyseren staat als enige op een 5. Je gaat van transcript naar codes, van codes naar categorieën en van categorieën naar een verhaal dat klopt, en bij elke stap beslis je zelf wat je meeneemt en wat je laat vallen. Er is geen antwoord dat je kunt naslaan, alleen een keuze die je moet kunnen verantwoorden. Op een 4 staan er vier. Steekproef en casusselectie vraagt dat je uitlegt waarom jouw handvol gevallen iets zeggen over een grotere groep. Twee benaderingen van analyse vraagt een keuze tussen theorie ontwikkelen en theorie toetsen die je later niet meer terugdraait. Reflexiviteit en positionaliteit is lastig omdat je je eigen positie moet bekijken zoals je je respondenten bekijkt, en omdat melden dat je student bent niet genoeg is. Kwaliteit van onderzoek dwingt je begrippen als betrouwbaarheid, of een ander jouw stappen kan navolgen, en validiteit, of je onderzoekt wat je denkt te onderzoeken, te vertalen naar wat jij concreet gedaan hebt. Rapporteren is met een 2 het lichtste onderwerp: het is werk, maar geen hoofdbreken. De overige zes staan op een 3.

Zo pak je het aan: Leg de vier onderwerpen met een 4 naast je voorstel en beantwoord er per stuk één vraag over in twee zinnen: waarom deze gevallen, waarom deze benadering, wat doet mijn positie, en waaraan zie ik dat het klopt. Het antwoord dat je niet opgeschreven krijgt, wijst je gat aan.

Waar leg je je prioriteit?

De kwadranten zetten gewicht en moeilijkheid naast elkaar, en dat levert vier stapels op. In eerst doen staan er twee: Coderen en analyseren (21 procent, moeilijkheid 5) en Reflexiviteit en positionaliteit (10 procent, moeilijkheid 4). Samen bijna een derde van het gewicht, en allebei werk dat je niet op één avond af hebt, dus begin er eerder mee dan de leesplanning voorschrijft. In snelle winst staan Representatie als thema en Interviews en focusgroepen, allebei 10 procent bij moeilijkheid 3. Dat is precies een vijfde van het gewicht voor gewoon leeswerk, en je hebt ze allebei vroeg nodig: het eerste om je vraag te kiezen, het tweede om het veld in te gaan. Onder kost tijd vallen Steekproef en casusselectie (8 procent), Kwaliteit van onderzoek (8 procent) en Twee benaderingen van analyse (4 procent). Ze staan alle drie op moeilijkheid 4, dus plan ze op een moment dat je hoofd fris is, maar laat ze je niet ophouden. Bijvangst zijn Uitgangspunten kwalitatief onderzoek, Ethiek in het veld, Kwalitatief en kwantitatief, Onderzoeksvraag en literatuur en Rapporteren. Licht werk, al is Boeije paragraaf 9.4 bij Rapporteren wel de meetlat van je artikel.

Zo pak je het aan: Codeer één bladzijde van je eerste transcript zodra je hem hebt, ook al staat coderen pas in week 5. Je ontdekt in een half uur wat je later dagen kost, en je merkt meteen of je vragen genoeg opleveren om iets mee te doen.

Je studieplan

De kolom studietijd verdeelt honderd procent van je uren over de twaalf onderwerpen, en de leesplanning zegt wanneer je ze nodig hebt. Week 1 kost ongeveer een vijfde: Representatie als thema (9 procent), Uitgangspunten kwalitatief onderzoek (7 procent) en Kwalitatief en kwantitatief (5 procent), dat laatste staat als optioneel in de planning. Die week kies je twee artikelen voor je onderzoeksvraag, dus lees Dovi en De Jong en Mügge met je eigen vraag in je hoofd. Week 2 gaat naar Steekproef en casusselectie (8 procent), Onderzoeksvraag en literatuur (5 procent) en Twee benaderingen van analyse (5 procent), plus het eerste deel van Interviews en focusgroepen (9 procent, verdeeld over week 2 en week 4). Week 3 is met Reflexiviteit en positionaliteit (10 procent), Kwaliteit van onderzoek (8 procent) en Ethiek in het veld (7 procent) precies een kwart van je tijd en daarmee de zwaarste leesweek. Week 4 leest licht, want dan ben je vooral aan het werven en aan het praten. Week 5 vraagt 22 procent voor Coderen en analyseren, en je neemt er een uitgeprint transcript van je eigen interview mee naartoe. Week 6 sluit af met Rapporteren (5 procent) en je pitch van drie minuten.

Zo pak je het aan: Zet nu twee halve dagen in je agenda: één in week 3 voor de drie teksten over je positie, de ethiek en de kwaliteit, en één in week 5 vóór het college voor je eigen transcript. Die twee weken zijn samen 47 procent van je tijd, en die uren komen er niet vanzelf bij.

Kernbegrippen per onderwerp

Uitgangspunten kwalitatief onderzoek

Eerstepersoonsperspectief (emic)
Je beschrijft je onderwerp zoals je deelnemers het zelf zien, niet zoals de theorie het indeelt.
De onderzoeker als instrument
Jij voert de gesprekken, dus jouw vragen en houding bepalen mee welke data je krijgt.
Naturalistisch onderzoek
Je onderzoekt mensen in hun eigen omgeving, in plaats van in een opstelling die jij bedacht hebt.
Intensief onderzoek (holistisch)
Je onderzoekt veel kanten van weinig mensen, en kijkt naar het hele geval.
Hermeneutische cirkel
Je gaat heen en weer tussen verzamelen en interpreteren, en stelt je uitleg steeds bij.
Interpretatief paradigma
De opvatting dat kennis over mensen begint bij de betekenis die zij zelf aan iets geven.
Exploreren
Je verkent een onderwerp waarover nog weinig bekend is, in plaats van een verwachting te toetsen.
Mixed methods
Een project met kwalitatief en kwantitatief werk, dat pas iets oplevert als je beide echt koppelt.

Representatie als thema

Formalistische representatie
Alleen de regeling telt: hoe iemand gekozen is en of kiezers hem kunnen wegsturen.
Descriptieve representatie
De vertegenwoordiger lijkt op zijn achterban; hiermee codeer je alles wat deelnemers over gelijkenis zeggen.
Substantiële representatie
De vertegenwoordiger handelt in het belang van de groep; voor deelnemers weegt dit meestal het zwaarst.
Symbolische representatie
De vertegenwoordiger staat voor de groep en roept gevoelens op, zoals een rolmodel dat doet.
Constitutieve representatie (claim)
Wie namens een groep spreekt, geeft die groep mede vorm; let dus op wie "wij" zegt.
Politieke zelfidentificatie
De groep waarmee iemand zich politiek identificeert, die kan afwijken van het hokje van de overheid.
Intersectionaliteit
Gender, religie, leeftijd en klasse werken samen, dus je kunt ze in je analyse niet losknippen.
Mélange
Deelnemers beoordelen representatie op meerdere aspecten tegelijk, dus verwacht geen enkelvoudig antwoord.

Kwalitatief en kwantitatief

Deductieve benadering
Je leidt een verwachting af uit de theorie en gaat in je data na of die klopt.
Inductieve benadering
Je begint bij je data en bouwt daaruit een verklaring op; de theorie is de uitkomst.
Abductief redeneren
Je begint bij iets wat je verraste en zoekt daar de meest waarschijnlijke verklaring bij.
Positivisme
De opvatting dat je de sociale wereld onderzoekt zoals een natuurkundige zijn onderwerp: meten en toetsen.
Interpretivisme
De opvatting dat mensen geen natuurobjecten zijn, dus dat je hun eigen betekenissen moet begrijpen.
Objectivisme
De aanname dat een groep of organisatie los van mensen bestaat, als een ding met regels.
Constructionisme (constructivisme)
De aanname dat mensen hun werkelijkheid steeds zelf maken, ook de categorieën waarin ze denken.
Dubbele hermeneutiek
Jij interpreteert de interpretaties van je deelnemers, dus je analyse voegt altijd een laag toe.

Onderzoeksvraag en literatuur

Vraagstelling
De centrale vraag van je onderzoek; kwalitatief gaat die over hoe iets in elkaar zit.
Doelstelling
Waar de kennis voor dient; schrijf hem als "inzicht in X, zodat Y".
State of the art
De stand van het onderzoek naar jouw onderwerp; daaruit haal je wat nog ontbreekt.
Grijze literatuur
Rapporten en beleidsstukken buiten de tijdschriften; die laten zien welk vraagstuk hier speelt.
Sensitizing concepts (attenderende begrippen)
Begrippen uit de literatuur die zeggen waar je op let, zonder vast te leggen wat je vindt.
Hypothese
Een verwachting die uit een theorie volgt en zegt wat je in je materiaal denkt aan te treffen.
Fundamenteel onderzoek
Onderzoek dat een kennisprobleem oplost, dus dat theorie ontwikkelt of toetst.
Praktijkgericht onderzoek
Onderzoek voor een praktijkprobleem: een diagnose stellen, een oplossing ontwerpen of die evalueren.

Steekproef en casusselectie

Populatie
De hele groep waarover je iets wilt zeggen; je onderzoekt daar maar een klein deel van.
Doelgerichte steekproeftrekking (purposive sampling)
Je kiest deelnemers op kenmerken die er voor je vraag toe doen, niet door toeval.
Theoretische steekproeftrekking (theoretical sampling)
Wie je hierna uitnodigt, volgt uit wat je in de vorige gesprekken vond.
Opportunistische steekproeftrekking (convenience sampling)
Je neemt wie bereikbaar is, vaak via de sneeuwbalmethode, en legt achteraf uit wie erin zat.
Saturatie (verzadiging)
Het punt waarop een gesprek geen nieuw thema meer oplevert; een argument, geen vast getal.
Variatiedekking
Je steekproef deugt als alle relevante verschillen erin zitten, niet als de aantallen kloppen.
Generalisatie via analogie (overdraagbaarheid)
Je conclusie geldt elders als je je situatie zo beschrijft dat de lezer de vergelijking kan wegen.
Gatekeeper (poortwachter)
Iemand die je toegang geeft tot het veld en daarmee bepaalt wie je wel en niet spreekt.

Twee benaderingen van analyse

Onderzoeksslang (inductieve analyse)
Je begint bij de data en laat er in drie codeerrondes een theorie uit opkomen.
Onderzoeksliaan (deductieve analyse)
Je begint bij een theorie en gaat in je data na of die voor jouw casus opgaat.
Theoretische sensitiviteit
Genoeg literatuur kennen om te zien wat er theoretisch interessant is aan wat je hoort.
Constante vergelijking
Je legt elk nieuw fragment naast wat je al codeerde, en scherpt je thema's daarop aan.
Operationaliseren
Een abstract begrip vooraf opsplitsen in dimensies en indicatoren die je kunt aanwijzen.
Conceptueel raamwerk
Een plaatje van je voorlopige theorie: begrippen met pijlen die zeggen wat waarop inwerkt.
Negatieve casus
Een geval waarin je verwachting niet opgaat; één zo'n geval dwingt je je theorie bij te stellen.
Cyclisch verloop
Verzamelen en analyseren wisselen elkaar af, dus je eerste analyse stuurt je volgende gesprek.

Interviews en focusgroepen

Focusgroep
Een groepsgesprek waarin de interactie tussen de deelnemers zelf je data is.
Halfgestructureerd interview
Je legt vast welke onderwerpen langskomen, niet de precieze vragen of hun volgorde.
Topiclijst
Je gespreksleidraad; elke vraag erin moet terug te voeren zijn op een onderzoeksvraag.
Doorvragen (papegaaien)
Je herhaalt een woord van je deelnemer en laat een stilte vallen, zodat hij verdergaat.
Rapport
De werkrelatie waarin vragen, antwoorden en luisteren iets opleveren; niet elkaar aardig vinden.
Moderator
Wie de focusgroep leidt; een tweede persoon observeert, notuleert en bewaakt tijd en opname.
Stimulusmateriaal
Een filmpje, stelling of opdracht die je voorlegt om het gesprek op gang te brengen.
Groepssamenstelling
Deelnemers delen genoeg om vrijuit te praten en verschillen genoeg om iets te bediscussiëren.

Reflexiviteit en positionaliteit

Positionaliteit (positionality)
Je eigen positie, zoals leeftijd en achtergrond, die per gesprek anders doorwerkt in wat mensen vertellen.
Actieve reflexiviteit (active reflexivity)
Je blijft je aannames over je positie ondervragen tijdens het hele onderzoek, niet één keer vooraf.
Insider en outsider
Of je bij de groep hoort of niet; het effect daarvan ligt niet vast en wisselt per gesprek.
Pre-interviewnotitie (pre-interview record)
Je schrijft vooraf op hoe je verwacht gezien te worden, en na afloop of dat klopte.
Gesitueerde kennis (situated knowledge)
Kennis komt altijd van iemand op een plek, dus jij en je deelnemer maken haar samen.
Macht in de onderzoeksrelatie
Jij kiest de vragen, de analyse en het citaat, dus de verhouding is nooit gelijk.
Zorgethiek (ethic of care)
Je weegt bij elke keuze of je deelnemer er schade van kan ondervinden, ook bij het schrijven.
Je werk laten zien (showing our work)
Je zet je aannames en keuzes in je verslag, zodat een lezer je data kan beoordelen.

Ethiek in het veld

Schade voor deelnemers (harm to participants)
Je onderzoek mag niemand stress, schade of nadeel opleveren, ook niet na afloop.
Geïnformeerde toestemming (informed consent)
Deelnemers weten waar ze ja tegen zeggen en mogen op elk moment stoppen of een vraag overslaan.
Inbreuk op de privacy (invasion of privacy)
Meedoen betekent niet dat elk onderwerp open ligt; iemand mag zich altijd terugtrekken.
Misleiding (deception)
Je doet je onderzoek nooit anders voor dan het is om mensen mee te laten werken.
Anonimiteit en vertrouwelijkheid
Namen blijven weg en je gegevens gaan niet verder; in een focusgroep hoor je dat vooraf te zeggen.
Ethisch dilemma
De situatie waarin twee regels botsen en je moet kiezen en die keuze verantwoorden.

Kwaliteit van onderzoek

Betrouwbaarheid
Of je manier van verzamelen precies genoeg is om bij herhaling hetzelfde op te leveren.
Validiteit
Of je werkelijk onderzoekt wat je zegt te onderzoeken, en je waarnemingen goed benoemt.
Reactiviteit
Mensen doen anders omdat jij erbij bent; dat weeg je mee in je interpretatie.
Going native
Je gaat zo in je onderzoeksgroep op dat je hun blik overneemt en niets vreemds meer ziet.
Navolgbaarheid
Je schrijft je stappen en keuzes zo op dat een ander ze kan volgen en nadoen.
Triangulatie
Je bekijkt hetzelfde vanuit meer bronnen of methoden, zodat je beeld niet aan één gesprek hangt.
Terugkoppeling naar participanten (member check)
Je legt je transcript of samenvatting voor aan je deelnemer om te controleren en aan te vullen.
Peer debriefing
Je laat iemand van buiten je project je keuzes en je beginnende analyse kritisch doorlopen.

Coderen en analyseren

Open coderen
De eerste ronde: je knipt je transcript in fragmenten en geeft elk fragment een label.
Thematisch coderen
Je brengt je losse codes terug tot een stuk of vijftien thema's door ze te splitsen en samen te voegen.
Selectief coderen
De laatste ronde: je kiest de belangrijkste thema's en verbindt ze tot een antwoord.
Codeboom
Je geordende lijst met codes en subcodes; die hoort als verantwoording bij je artikel.
In-vivo-code
Een code in de woorden van je deelnemer zelf, omdat die de ervaring preciezer raakt.
Memo
Een korte notitie tijdens de analyse over wat je opvalt en waarom je iets besluit.
Kernthema
Het thema dat de rest bij elkaar houdt en de variatie verklaart; je zoekt het, het komt niet vanzelf.
Inter-codeurbetrouwbaarheid
Je codeert een stuk materiaal apart van je groepsgenoot en bespreekt daarna de verschillen.

Rapporteren

Bevinding
Een bewering die op je data steunt, dus niet een opsomming van wat mensen zeiden.
Thick description
Je beschrijft situatie en gedrag zo gedetailleerd dat de lezer het voor zich ziet.
Macrostructuur (verhaallijn)
De volgorde waarin je je thema's presenteert, zodat je resultaten samen een verhaal vormen.
Citaten als kralen aan een ketting
De valkuil van citaten achter elkaar zetten zonder er zelf iets van te maken.
Pseudoniem
Een verzonnen naam bij een citaat, met alleen de kenmerken die de lezer nodig heeft.
Discussie
Het deel waarin je je bevindingen naast de literatuur legt en zegt wat ze betekenen.
Alternatieve verklaring
De tweede uitleg die je data ook toelaat; die noem je zelf, voordat je lezer het doet.
Beperkingen van het onderzoek (limitations)
De alinea waarin je zegt hoe je keuzes je uitkomsten gekleurd kunnen hebben.

Waar het bij Onderzoeksmethoden 2: Verdieping kwalitatieve technieken meestal misgaat

Deze fouten volgen uit de stof zelf: begrippen die op elkaar lijken, voorwaarden die samen moeten gelden, een uitzondering die blijft hangen als hoofdregel.

Een vraag naar hoe vaak

Wat er misgaat: Je hoofdvraag begint met “in hoeverre”, “hoe vaak” of “welk effect heeft”. Dat is een vraag naar omvang, en die beantwoord je door te tellen. Je hele opzet wordt daarmee een klein kwantitatief onderzoek met veel te weinig mensen erin.

Hoe het wel moet: Laat elke vraag beginnen met hoe, welke of wat, en toets hem op één punt: kun je hem beantwoorden met wat mensen je vertellen, of moet je daarna gaan optellen? Vraag dus niet in hoeverre studenten zich vertegenwoordigd voelen, maar hoe zij bepalen of iemand hen vertegenwoordigt. Loop daarna elke deelvraag na op de vraag of hij echt onder je hoofdvraag valt, want dat is de fout die het vaakst blijft staan.

Waardoor het komt: Zulke vragen klinken wetenschappelijk, want zo stonden ze in bijna elk voorbeeld dat je eerder zag. Kwalitatieve methoden beantwoorden alleen vragen over de aard van een verschijnsel, dus over hoe iets in elkaar zit en wat het voor mensen betekent. Aan de vraag zelf zie je dat verschil nauwelijks, aan wat je moet doen om hem te beantwoorden wel.

Waaraan je het herkent: Het antwoord dat je bij je eigen vraag verwacht, is een getal of een percentage.

Slang en liaan door elkaar

Wat er misgaat: In je voorstel staat dat je inductief werkt, dus dat je je theorie uit de data laat groeien. Twee alinea's verder heb je je begrippen al opgesplitst in dimensies en indicatoren, dus in onderdelen en in concreet waarneembare aanwijzingen, en in je codeerplan staat open coderen. Dan heb je de keuze tussen de onderzoeksslang (theorie opbouwen uit je materiaal) en de onderzoeksliaan (een bestaande theorie toetsen) nog niet gemaakt.

Hoe het wel moet: Zet in je voorstel één alinea met de kop analysebenadering. Beantwoord daarin of je een theorie wilt toetsen of er een wilt ontwikkelen, welke theorie je meeneemt en in welke vorm, en hoe je gaat coderen. Kies daarna één van de twee en laat je steekproef, je vragenlijst en je codeerrondes allemaal hetzelfde zeggen.

Waardoor het komt: De twee modellen delen zoveel dat het verschil klein lijkt. Allebei beginnen ze bij literatuur, allebei wisselen ze verzamelen en analyseren af, en in allebei is coderen de kern. Het verschil zit in één ding: rafel je je begrippen uiteen vóór je gaat kijken, of laat je ze uit het materiaal komen?

Waaraan je het herkent: In dezelfde tekst staan het woord verkennend en het woord indicator.

Representatief als afspiegeling lezen

Wat er misgaat: Je schrijft dat je steekproef representatief is omdat de helft man is en de helft vrouw. Of je verontschuldigt je juist: acht deelnemers zijn niet representatief, dus je conclusies zijn zwak. Allebei komen ze uit het kwantitatieve woordenboek, waarin representatief betekent dat de getalsmatige verhoudingen kloppen.

Hoe het wel moet: Schrijf drie zinnen. Over wie wil ik iets zeggen (de populatie), wie onderzoek ik daarvoor (de steekproef), en waarom zegt die tweede groep iets over de eerste? Noem in die derde zin de kenmerken waarop je variatie zocht, en zeg er meteen bij welke variatie je niet hebt bereikt.

Waardoor het komt: In kwalitatief onderzoek betekent representatief iets anders, namelijk variatiedekking: alle relevante verschijningsvormen zitten in je steekproef. Het aantal weegt dan veel minder dan de vraag welke soorten gevallen erin zitten. Gewoon Nederlands helpt je hier niet, want daar blijft representatief “een klein model van het geheel” betekenen.

Waaraan je het herkent: Je verantwoordt je steekproef met een aantal in plaats van met een lijstje kenmerken.

Focusgroep als zes interviews tegelijk

Wat er misgaat: Je kiest een focusgroep omdat je zo zes mensen in één zitting spreekt in plaats van zes keer een uur af te spreken. In je verslag haal je er vervolgens per deelnemer de antwoorden uit, alsof je zes losse interviews had gehouden. Zo gooi je precies het materiaal weg waarvoor je de methode koos.

Hoe het wel moet: Schrijf één zin die je keuze verantwoordt en toets die aan drie vragen: gaat je onderwerp over wat een groep samen normaal vindt, zit er een waarom-niet-vraag in die mensen alleen moeilijk kunnen uitleggen, en levert het vergelijken van verschillend samengestelde groepen iets op? Kruis je er geen aan, kies dan interviews en schrijf op waarom. Neem in je analyse minstens één stuk gesprek op waarin deelnemers op elkaar reageren, en leg uit wat daar gebeurt.

Waardoor het komt: Een focusgroep is een groepsgesprek waarin de interactie zelf je data is: het knikken, aanvullen, tegenspreken en samen een verklaring opbouwen. Barbour zegt daarom dat het geen snelle manier is om een reeks interviews af te werken, en dat tijdwinst nooit een reden is om er een te houden. De methode werkt bij onderwerpen waarover een groep samen bepaalt wat normaal is.

Waaraan je het herkent: In je analyse staan alleen citaten van losse personen en nergens een stuk gesprek.

Codes tellen als bewijs

Wat er misgaat: In je resultaten staat dat acht van de twaalf deelnemers vertrouwen noemden, en dat is je bevinding. Misschien staat er zelfs een tabel bij met hoe vaak elke code voorkomt, dus hoe vaak je een bepaald label aan een fragment hing. Zo maak je van je codes een telling en van je gesprekken een kleine enquête.

Hoe het wel moet: Vervang elk aantal door een vergelijking. Niet “acht van de twaalf noemden vertrouwen”, maar “deelnemers met eigen ervaring bij de gemeente noemden vertrouwen anders dan wie die ervaring miste”. Zoek daarna bewust het geval waarin jouw patroon niet opgaat, want dat maakt je uitkomst scherper dan welk hoger aantal ook.

Waardoor het komt: Een aantal zegt hier niets, want je steekproef is niet zo samengesteld dat verhoudingen betekenis hebben. Het is een reflex uit kwantitatief onderzoek, en hij komt terug zodra je niet weet hoe je anders overtuigend moet klinken. Wat wel telt is variatie: welke verschillende betekenissen komen voor, en waarmee hangen ze samen?

Waaraan je het herkent: In je resultatensectie staan getallen.

Hetzelfde woord, dezelfde code

Wat er misgaat: Twee deelnemers gebruiken dezelfde uitdrukking, bijvoorbeeld dat ze “als een nummer” worden behandeld, en jij geeft beide fragmenten dezelfde code. In je analyse staat daarna dat de twee groepen hetzelfde ervaren. Je hebt het woord gecodeerd en niet de betekenis.

Hoe het wel moet: Vraag tijdens het gesprek meteen door: wat bedoel je daarmee, en wat doe je dan? Leg bij het coderen elk nieuw fragment naast de fragmenten die je al zo codeerde, en splits je code zodra de betekenis niet dezelfde blijkt. Schrijf in een memo op waarom je splitste, dus in een korte notitie waarin je je gedachtegang vastlegt.

Waardoor het komt: Coderen op letterlijke woorden gaat ervan uit dat een uitspraak maar op één manier te lezen is. Fujii laat met een voorbeeld zien dat dezelfde zin bij de ene groep een naamloos nummer in een computersysteem betekende, en bij de andere machteloosheid tegenover een ambtenaar die over je lot beslist. Dat verschil verklaarde vervolgens waarom de ene groep wel voor zichzelf opkwam en de andere niet.

Waaraan je het herkent: Je kunt van een code niet uitleggen wat hij betekent zonder de citaten er weer bij te lezen.

Positionaliteit als één zin vooraf

Wat er misgaat: In je methodeparagraaf staat één zin over wie je bent, bijvoorbeeld dat je als student van buiten de wijk een andere achtergrond hebt dan je deelnemers. Daarna komt die zin nergens meer terug. Je hebt je positie gemeld, niet gebruikt.

Hoe het wel moet: Schrijf vóór elk gesprek kort op hoe je verwacht dat je gelezen wordt en waarom, en vul na afloop aan of het zo ging. Laat die aantekening lezen door iemand anders uit je groep, want je eigen blinde vlek zie je zelf niet. Zet in je artikel één plek waar je verwachting niet uitkwam, en wat dat met je data deed.

Waardoor het komt: Positionaliteit is je sociale positie en wat die doet met wat mensen je vertellen, en zij werkt per gesprek anders: bij de een helpt je leeftijd, bij de ander zit ze in de weg. Soedirgo en Glas noemen een vaste aanname daarover juist het probleem, want die blokkeert je toegang en stuurt stilletjes je interpretatie. Wie aanneemt dat mensen zoals hij opener zijn, leest de rest sceptischer.

Waaraan je het herkent: Je kunt geen enkel moment noemen waarop je verwachting over jezelf niet uitkwam.

Toestemming afvinken en klaar

Wat er misgaat: Je laat je deelnemers een formulier tekenen en beschouwt de ethiek daarmee als geregeld. In je focusgroep beloof je vertrouwelijkheid, terwijl vijf anderen alles meeluisteren en het na afloop kunnen navertellen. En in je artikel vervang je namen door Deelnemer 1, maar je schrijft er wel bij dat het om de studieadviseur van jouw opleiding gaat.

Hoe het wel moet: Zeg aan het begin van een focusgroep hardop dat je niet kunt garanderen wat anderen na afloop navertellen, en dat iedereen zelf bepaalt wat hij deelt. Vervang in je verslag ook functies en plaatsen, en lees je citaten na met één vraag: zou iemand uit de opleiding kunnen raden wie dit zei?

Waardoor het komt: Toestemming is geen handtekening maar een afspraak die je moet kunnen waarmaken, en in een groep reikt jouw belofte niet verder dan jijzelf. Anonimiseren gaat bovendien niet over namen maar over herkenbaarheid: een functie, een plek of één bijzonder detail wijst net zo hard iemand aan. In een kleine kring, zoals één jaarlaag van één opleiding, is dat zo gebeurd.

Waaraan je het herkent: Iemand die jouw opleiding kent, kan bij een citaat de spreker aanwijzen.

Saturatie beloven met vier gesprekken

Wat er misgaat: Je schrijft dat je twaalf mensen interviewt, want dan is er saturatie. Of je citeert de richtlijn uit het boek, bijvoorbeeld vijftien tot dertig mensen voor onderzoek dat een nieuwe theorie wil opbouwen, alsof dat een norm is. Bij een opdracht met een paar gesprekken of twee focusgroepen kom je daar hoe dan ook niet.

Hoe het wel moet: Beredeneer je omvang uit de reikwijdte van je vraag: een breed onderwerp in een gevarieerde groep vraagt meer gesprekken dan een smal onderwerp in een groep die op elkaar lijkt. Schrijf er eerlijk bij dat je met dit aantal waarschijnlijk geen saturatie bereikt, en wat dat betekent voor hoe ver je conclusies reiken. Dat is geen zwakte in je verslag, maar precies de verantwoording die je beoordelaar zoekt.

Waardoor het komt: Saturatie is het punt waarop een nieuw gesprek geen nieuw thema meer oplevert. Dat merk je pas tijdens je onderzoek, dus het is een uitkomst en geen planning. In gewone taal klinkt “genoeg respondenten” als een aantal dat je vooraf kunt opzoeken, en juist die redenering wijst het boek af.

Waaraan je het herkent: Het woord saturatie staat in je voorstel in de toekomende tijd.

De poortwachter als doorgeefluik

Wat er misgaat: Je werft via een docent, een teamleider of een bestuur, en in je methodeparagraaf staat alleen dat je je deelnemers via die persoon hebt gevonden. Wie hij niet heeft benaderd staat er niet bij, en hoe hij jouw onderzoek in eigen woorden navertelde ook niet.

Hoe het wel moet: Noteer wie je hebt gevraagd om te bemiddelen, wat je hem hebt meegegeven en wie hij wel en niet heeft doorgestuurd, en zet dat in je methodeparagraaf. Combineer daarnaast twee manieren van werven, bijvoorbeeld een open oproep naast je eigen netwerk, zodat je niet één sociale kring overhoudt.

Waardoor het komt: Een poortwachter opent de deur, maar hij kiest ook wie erdoor mag en hij kleurt de boodschap. Daarmee vormt hij je steekproef, en dus je data. Bij Barbour staat dat in één zin tussen de rest, terwijl het je hele materiaal bepaalt.

Waaraan je het herkent: Je weet niet wie er wel is gevraagd maar niet is gekomen.

Betrouwbaar betekent hier iets anders

Wat er misgaat: Je schrijft dat je onderzoek betrouwbaar is omdat je deelnemers open en eerlijk waren. Of je belooft dat een andere onderzoeker met dezelfde vragen tot dezelfde uitkomst zou komen. Het eerste gaat over validiteit, en het tweede kun je in kwalitatief onderzoek niet waarmaken.

Hoe het wel moet: Beloof geen herhaalbaarheid maar navolgbaarheid: schrijf op wat je deed, hoe je het deed en welke keuzes je onderweg maakte, zodat een ander je proces kan volgen en controleren. Voeg daar één procedure aan toe die in een groepsproject past, bijvoorbeeld twee groepsleden die hetzelfde uitgetypte gesprek coderen en hun verschillen uitpraten, of een uitgewerkt gesprek teruggeven aan de deelnemer om te laten aanvullen (member check).

Waardoor het komt: Betrouwbaarheid gaat over de precisie van je manier van verzamelen, dus over toevallige fouten. Validiteit gaat over de vraag of je goed benoemt wat je waarneemt, dus over systematische fouten, en juist die weegt in kwalitatief onderzoek het zwaarst. In gewoon Nederlands betekent betrouwbaar “te vertrouwen”, en daardoor belandt het woord in je verslag naast je deelnemers in plaats van naast je werkwijze.

Waaraan je het herkent: Het woord betrouwbaar staat in je verslag naast een deelnemer en niet naast een werkwijze.

Lijken op is niet handelen voor

Wat er misgaat: In je analyse schrijf je dat deelnemers zich descriptief vertegenwoordigd voelen, en dat hun belangen dus behartigd worden. Die tweede helft heb je nergens gevraagd. Je bent van gelijkenis naar handelen gesprongen met het woord dus.

Hoe het wel moet: Codeer in twee lagen. Waarop beoordeelt de deelnemer de vertegenwoordiger (formalistisch, symbolisch, descriptief of substantieel), en wat moet er volgens hem vertegenwoordigd worden (een mening, een perspectief of een belang)? Zegt Fleur “zij komt ook uit de wijk, dus zij snapt het”, geef dat fragment dan beide codes en zet die koppeling in een korte notitie bij je analyse.

Waardoor het komt: Descriptieve representatie gaat over de vraag of de vertegenwoordiger op de vertegenwoordigden lijkt, substantiële representatie over wat hij vóór hen doet. Dat het eerste tot het tweede leidt is een aanname uit de literatuur en geen bevinding van jou. De Jong en Mügge laten juist het omgekeerde zien: hun deelnemers vinden dat Kamerleden die op hen lijken binnen gevestigde partijen weinig ruimte krijgen.

Waaraan je het herkent: In je conclusie staat het woord dus tussen een uiterlijk kenmerk en een uitkomst.

Nu weet je waar je moet beginnen

De samenvatting van Onderzoeksmethoden 2: Verdieping kwalitatieve technieken volgt de colleges, week voor week. Week 1 lees je gratis met een account.

Begin gratis met week 1 · Samenvatting Onderzoeksmethoden 2: Verdieping kwalitatieve technieken · Bekijk prijzen

Let op: deze analyse is een inschatting op basis van de samenvatting en de leesplanning van dit vak, niet op basis van eerdere beoordelingen. De grafieken laten zien hoe zwaar de stof weegt en hoe complex ze is. Gebruik ze om je tijd te verdelen, niet als voorspelling van je cijfer. Wat je uiteindelijk inlevert blijft altijd breder dan wat je hier ziet.