Vragen over Politiek en samenleving (P&S)

De vragen en discussies die bij Politiek en samenleving horen: verbanden, tegenstellingen en denkfouten uit de stof. 114 vragen, waarvan 94 met een antwoord dat vrij te lezen is.

Hoofdstuk 1: Government and politics

Wat is nou precies het verschil tussen macht en autoriteit?

Macht is het vermogen om te bereiken wat je voor ogen hebt. Autoriteit is het erkende recht om te regeren. Wie autoriteit heeft, krijgt macht er gratis bij: volgens Weber voeren de geregeerden een bevel uit alsof ze het zelf hadden gewild. Dat maakt autoriteit efficiënter dan brute macht. Een junta die na een staatsgreep aan de macht komt, zoals in Niger in 2023, heeft wel macht maar geen autoriteit. Politiek is het proces, macht het vermogen, autoriteit het recht.

De Democracy Index perst bijna 200 systemen in vier hokjes. Wat gaat daarbij verloren?

Een typologie maakt uitspraken over een hele groep landen mogelijk, maar Lührmann en anderen betwisten juist de methode en de grenzen ervan. De Verenigde Staten en Brazilië belanden in hetzelfde hokje terwijl ze op heel andere punten haperen. Vraag jezelf af welke nuance een casestudy hier zou moeten terugbrengen.

Hoofdstuk 3: States and nations

Waarom is Somaliland wel effectief en toch geen staat?

Omdat erkenning en controle twee verschillende dingen zijn. Een quasi-staat als Somalië is erkend onder internationaal recht en heeft een VN-zetel, maar beheerst zijn grondgebied nauwelijks: legitiem en ineffectief. Een de facto-staat als Somaliland is precies andersom, want die bestuurt wel maar wordt door niemand erkend. Soevereiniteit betekent dat geen macht van buiten of van binnen boven je staat, legitimiteit dat burgers en andere staten je gezag aanvaarden.

Nationalisme heet zowel bevrijding als uitsluiting. Is dat een verschijnsel of zijn het er twee?

Het recht op zelfbeschikking van de Koerden en de Lebensraum-politiek van de nazi's leunen op dezelfde gedachte: deze grond hoort bij dit volk. Wie het tweede afwijst, moet uitleggen waarop het eerste dan rust. Waar leg jij die grens, en met welk criterium?

Lukes (2004): Power, a radical view (drie dimensies van macht)

Waarom is de derde dimensie van macht zo moeilijk aan te tonen?

Omdat er niets te zien is. Bij een waarneembaar conflict ligt de contrafeitelijke uitspraak klaar: A wint, dus weet je wat B anders had gedaan. Zonder conflict moet de onderzoeker zelf twee dingen onderbouwen: dat B anders had gewild of gehandeld, en welk mechanisme dat verhinderde. Crenson doet dat met U.S. Steel in Gary. Polsby en Wolfinger verwarren volgens Lukes een methodologische moeilijkheid met een inhoudelijke bewering: moeilijk aantoonbaar is niet afwezig.

Wie bepaalt iemands reële belangen als die persoon ze zelf niet kent?

Lukes wil hypothesen die op waarnemingen rusten en te weerleggen zijn. Toch waarschuwt Polsby dat je zo iedereen die het met je oneens is vals bewustzijn kunt verwijten. Bij Crenson lijkt het onschuldig, want niemand wil vergiftigd worden. Waar houdt dat op?

Hoofdstuk 4: Democratic rule

Wat maakt een democratie illiberaal, en is dat dan nog een democratie?

In een illiberale democratie worden regeringen democratisch gekozen, maar werken zij daarna aan de verzwakking van burgerrechten en burgerlijke vrijheden. Zakaria zag verkiezingen en rechten van elkaar losraken: gekozen winnaars omzeilen parlementen en beperken de pers, zoals in Polen. Beetham stelt daartegenover dat er zonder vrijheid geen democratie bestaat. Levitsky en Way mijden het woord daarom en spreken van competitive authoritarianism.

Als een geconsolideerde democratie the only game in town is, hoe kan zij dan terugvallen?

Przeworski beschrijft consolidatie bijna als een eindtoestand, maar sinds 2006 lopen democratieën terug zonder dat het spel formeel verandert. India is geconsolideerd en tegelijk gebrekkig. Misschien meet consolidatie alleen instituties en geen gewoonten. Welke voorwaarde van Diamond ontbreekt er dan?

Hoofdstuk 5: Authoritarian rule

Waarom vallen dictators meestal niet door een volksopstand?

Svolik laat zien dat een dictator twee conflicten tegelijk voert: met de massa die hij regeert en met de elite met wie hij de macht deelt. Tussen 1946 en 2008 verloren ruim 300 dictators hun ambt op onconstitutionele wijze, en nauwelijks 20 procent van hen werd door een volksopstand verdreven. Meer dan twee derde werd afgezet door mensen binnen het regime zelf. Daarom draait patronage niet om het volk maar om de eigen kring.

Het gezag van een autoritaire leider is onbeperkt. Waarom is zijn positie dan juist kwetsbaar?

Er zijn geen regels voor opvolging en geen onafhankelijke autoriteit die afspraken afdwingt, dus moet hij rivalen blijven neutraliseren. Treisman telde dat autoritair bestuur sinds 1800 in twee derde van de gevallen per ongeluk eindigde. Komt die kwetsbaarheid uit zijn macht voort of uit het ontbreken van instituties?

Hoofdstuk 2: Making comparisons

Wanneer kies je most similar en wanneer most different?

Kijk naar wat je wilt verklaren. Een most similar system design vergelijkt landen die sterk op elkaar lijken en verklaart daarmee een verschil: alles wat ze delen valt af als verklaring. Een most different system design vergelijkt landen die in veel opzichten verschillen en verklaart daarmee een overeenkomst, zoals twaalf landen die naar universele zorg streven. Een verschil verklaar je dus met gelijkenis, een overeenkomst met verschil.

Als staten steeds meer op elkaar gaan lijken, hoeveel onafhankelijke gevallen houd je dan over?

Tilly waarschuwt dat je je steekproef kunstmatig opblaast zodra je staten als onafhankelijk behandelt terwijl dezelfde invloeden van buiten op ze inwerken. Je telt dan meer zelfstandige gevallen dan je hebt en overschat de significantie. Bij hoeveel gedeelde invloed zijn Denemarken en Zweden nog twee casussen?

Mair (2008): Concepts and concept formation

Wat is concept stretching en waarom is dat fout?

Concept stretching is een begrip naar meer gevallen uitbreiden zonder er eigenschappen bij te laten vallen. Op de ladder van abstractie ruilen extensie en intensie namelijk tegen elkaar: wie meer gevallen wil dekken, moet eigenschappen inleveren. Bewegen mag omhoog en omlaag, nooit opzij. Rek je een begrip toch op, dan draagt het label meer bagage dan de gevallen kunnen dragen en zegt het uiteindelijk bijna niets meer.

Bij familiegelijkenis stijgen intensie en extensie samen. Waarom is dat verdacht?

De ruil van Sartori verdwijnt: elke eigenschap erbij vergroot het bereik, want een enkele eigenschap is al genoeg. Dat helpt waar een gedeelde kern ontbreekt, maar een regel voor in- en uitsluiting levert het niet op. Waar houdt zo'n familie dan op, en wie beslist dat?

Mudde (2007): Constructing a conceptual framework (populist radical right)

Waarom schrijft Mudde populistisch radicaal rechts en niet radicaal rechts populisme?

De woordvolgorde volgt de kern van de ideologie. Nativisme is het kernkenmerk, en nativisme plus autoritarisme levert radicaal rechts op. Dat moet dus de hoofdterm zijn en populistisch de kwalificatie. Populisme past bovendien niet als trede op de ladder: zet je het onder radicaal rechts, dan zou alles daarboven ook populistisch zijn, terwijl fascisme en nationaalsocialisme juist elitair waren. De gangbare volgorde maakt populisme ten onrechte de hoofdzaak.

Mudde ontsnapt aan de circulariteit met twee definities. Ontsnapt hij echt?

De minimumdefinitie komt uit een most dissimilar design, maar welke partijen daaraan meedoen kiest hij vooraf. De criteria komen dan uit de selectie en de selectie uit de criteria. Wat zou een minimumdefinitie moeten kunnen om die kring open te breken?

Hoofdstuk 7: Constitutions and courts

Wat is het verschil tussen een supreme court en een constitutioneel hof?

Ze horen bij twee stelsels. Een supreme court past bij een gedecentraliseerd stelsel: gewone rechtbanken toetsen daar ook, en het hof oordeelt concreet, binnen een echte zaak waarin partijen legal standing hebben. Een constitutioneel hof past bij een gecentraliseerd stelsel: alleen dat ene hof toetst, meestal abstract en op verzoek van aangewezen instituties, vaak nog voordat een wet in werking treedt. Weigeren mag zo'n hof dat verzoek niet.

Een eeuwigheidsclausule zet de menselijke waardigheid buiten bereik van elke meerderheid. Is dat democratisch?

Critici noemen het een dictatuur van de doden over de levenden. Voorstanders wijzen op de breuk met het oude regime die zo'n clausule bezegelt. Ondertussen verandert een constitutie ook zonder amendement, via judicial review, nieuwe wetten en tradities. Beschermt de clausule dan wel wat jij denkt?

Hoofdstuk 8: Executives

Waarom staat de Nederlandse premier zwakker dan de Duitse kanselier?

Dat verschil staat niet in de grondwet maar zit in het model. Duitsland kent prime ministerial government: de kanselier legt verantwoording af aan de Bondsdag en de ministers leggen verantwoording af aan de kanselier. Nederland kent ministerial government: ministers werken met weinig sturing, en de premier benoemt, ontslaat of herschikt hen niet. Hij is eerder bemiddelaar dan chef. Daartussenin staat cabinet government, waarin het kabinet als team beslist.

De Braziliaanse president heeft op papier meer macht dan de Amerikaanse en krijgt zijn Congres toch niet mee. Wat blijft er dan over van het type?

Evenredige vertegenwoordiging leverde daar 23 partijen op, de partijdiscipline is zwak en impeachment is een reële dreiging, dus hij regeert feitelijk in coalitie. Als leiderschap en partijverhoudingen dat bepalen, waarvoor gebruik je de indeling presidentieel, parlementair en semi-presidentieel dan nog?

Hoofdstuk 9: Legislatures

Waarom houden autoritaire regimes een parlement in stand?

Omdat het hun drie dingen oplevert. Coöptatie is de belangrijkste, want de dreiging komt vooral uit de eigen elite en een zetel bindt tegenstanders aan het regime. Daarnaast rekruteert het parlement: het werkt als kweekvijver en als test of iemand betrouwbaar is. En het maakt concessies mogelijk zonder dat het lijkt of de leider voor volksprotest zwicht, wat Teets consultatief autoritarisme noemt. Nominaal democratische instituties dienen zo autoritaire doelen.

Adams wilde een miniatuurportret van het volk, Burke een vergadering met een belang. Kun je allebei hebben?

Descriptieve representatie vraagt om gelijkenis in gender, klasse of etniciteit, collectieve representatie om het belang van het hele land. Quota raken alleen het eerste, en elk lid hangt intussen aan de stemmen uit zijn eigen district. Welke van de twee zou jij opgeven?

Over het vak

Vergelijkend onderzoek meet regimes met indexen die vooral westerse instituties tellen. Welk land komt er daardoor slechter uit dan het verdient, en hoe zou je dat laten zien?

Nog geen antwoord: een vraag om zelf over na te denken.

Autoritarisme is door de geschiedenis heen de norm geweest en democratie de uitzondering. Waarom vraagt dit vak dan vooral wat democratieën doet terugvallen, en zelden wat ze überhaupt doet ontstaan?

Nog geen antwoord: een vraag om zelf over na te denken.

Hoofdstuk 11: Sub-national government

Nederland heet een eenheidsstaat, maar gemeenten en provincies doen ontzettend veel. Zijn we dan niet eigenlijk een federatie?

Nee, en dat is precies het punt waar het om draait: het criterium is niet hoeveel de lagere lagen doen, maar of hun bevoegdheden grondwettelijk beschermd zijn tegen het centrum. Een eenheidsstaat kan zwaar gedecentraliseerd zijn via deconcentratie, delegatie en devolutie, en blijft toch een eenheidsstaat zolang het centrum die taken in principe kan terugnemen.

De toets is dus een gedachte-experiment: kan de nationale wetgever de bevoegdheden van de lagere laag met een gewone wet veranderen of het orgaan zelfs opheffen? In het Verenigd Koninkrijk kan dat, en daar zijn de regionale parlementen van Noord-Ierland, Schotland en Wales niettemin flink machtig; de Noord-Ierse assemblee werd zelfs geschorst. In een federatie zou dat normaal niet kunnen. Over Nederland is hier alleen bekend dat het lokale bestuur een council system is, dus leg die vraag zelf langs het criterium in plaats van langs je gevoel over hoeveel de gemeente regelt.

Als federalisme bestuur dichter bij de burger brengt, waarom deed Brazilië het dan slechter in de pandemie dan Groot-Brittannië?

Omdat hetzelfde kenmerk beide kanten op werkt. Federalisme brengt bestuur dichter bij de mensen en is een praktische manier om een land zo groot als Brazilië te besturen, maar het maakt nationaal beleid moeilijker uitvoerbaar. Toen de steun van het centrum ontbrak, gingen gouverneurs zelf vaccins bij fabrikanten kopen en kondigden burgemeesters van onder meer São Paulo en Rio de Janeiro hun eigen lockdown af.

In een eenheidsstaat als Groot-Brittannië of Ierland ligt de soevereiniteit bij het centrum, en dus kon daar één landelijke maatregel worden opgelegd. Let wel op dat het niet alleen om structuur gaat: Bolsonaro relativeerde de ernst van de pandemie zelf en kwam daardoor in conflict met de gouverneurs en burgemeesters. De structuur bepaalde welke ruimte dat conflict kreeg, niet dat het ontstond.

België en Zwitserland zijn beide federaties met meerdere taalgroepen. Waarom werkt federalisme in Zwitserland beter?

De verklaring zit in de vorm van de scheidslijnen. België kent in de kern twee grote taalgemeenschappen, en dan is de winst van de een bijna automatisch het verlies van de ander. Zwitserland heeft 26 kantons, vier talen en twee religies, waardoor de scheidslijnen elkaar doorkruisen in plaats van samenvallen met de bestuurlijke grenzen. Federaties zijn effectiever als ze verdeeldheid doorsnijden dan wanneer ze die vastleggen.

Maar daarmee is het niet af. Nigeria deed juist het omgekeerde en deelde zijn regio's steeds verder op, tot 36 staten, precies om staten rond één etnische groep te voorkomen, en toch blijven regionalisme en etnische en religieuze verdeeldheid daar de eenheid ondermijnen. Dus wat is nu de werkzame factor: het aantal groepen, de manier waarop de grenzen lopen, of iets anders? En als het aantal groepen telt: is etnisch federalisme dan een verkeerd instrument voor een land met precies twee grote gemeenschappen, of het beste dat er is? Zoek zelf uit wat je van die twee gevallen kunt afleiden en wat niet.

Rusland is juridisch een federatie en Zuid-Afrika juridisch een eenheidsstaat. Waarom lijken ze in de praktijk zo op elkaar?

Omdat ze uit tegengestelde richtingen in hetzelfde midden zijn beland. Zuid-Afrika is de quasi-federatie: formeel unitair, maar met negen provincies die elk een premier en kabinet hebben en die alle tien afgevaardigden naar de National Council of Provinces sturen, terwijl de traditie van centrale sturing doorloopt. Rusland is het spiegelbeeld: op papier een federatie, maar door de federale okrugs onder een presidentiële vertegenwoordiger, de gedwongen overstap van gouverneurs naar Verenigd Rusland en een benoemde Federatieraad noemde Ross (2010) het "a unitary state masquerading as a federation".

Dat maakt de vraag scherper dan hij lijkt. Als de juridische vorm zo weinig voorspelt, wat koop je er dan nog mee als analyticus? Bedenk welke waarneembare dingen je nodig hebt om een feitelijke federatie van een feitelijke eenheidsstaat te onderscheiden: wie de bevoegdheden kan wijzigen, wie de gouverneurs op hun plek zet, wie de hogere kamer vult. Kijk vervolgens of Maleisië, ook juridisch federaal maar in de praktijk gecentraliseerd, met jouw lijstje op dezelfde plek uitkomt.

Waarom weten we zo weinig over lokaal bestuur, terwijl de burger de staat daar het vaakst ontmoet?

Nog geen antwoord: een vraag om zelf over na te denken.

Hoofdstuk 12: The media

Ik haal agenda-setting, framing en priming steeds door elkaar. Hoe houd ik ze uit elkaar?

Denk aan drie verschillende vragen. Agenda-setting gaat over waarover je nadenkt. Nieuws is samengeperst en dus selectief: wat verslagen wordt, wordt besproken, en wat niet verslagen wordt, bestaat voor het publiek niet. Lippmann (1922) vergeleek de pers met een zoeklicht dat rusteloos beweegt en het ene voorval na het andere uit het duister haalt. Framing gaat over hoe die gebeurtenis wordt verteld: door de oorsprong, de oplossing en de beoordeling van een probleem te kiezen, bouwt de redactie een verhaal waarin één interpretatie voor de hand ligt. Priming gaat over wat je daarna met die maatstaf doet: de criteria uit de berichtgeving over het ene onderwerp gaan gelden voor een ander onderwerp.

Een praktische test. Verslaan twee kranten dezelfde gebeurtenis, maar met een verschillend verhaal erom? Dan is het framing. Verslaat de ene krant iets wat in de andere helemaal niet voorkomt? Dan is het agenda-setting. Verandert de manier waarop mensen over een heel ander onderwerp oordelen? Dan is het priming, zoals Solheim (2021) vond na de aanslagen van januari 2015 in Parijs, met een sterker effect op immigratiebeleidsvoorkeuren buiten Frankrijk dan binnen Frankrijk.

Het vierde mechanisme, reinforcement, valt hier buiten: dat zegt juist dat de media weinig veranderen en vooral bestaande opvattingen versterken.

Vormen de media de publieke opinie, of weerspiegelen ze die alleen?

Beide antwoorden zitten in de theorie, en ze horen bij verschillende periodes. In de jaren vijftig, vóór de opkomst van de televisie, was het antwoord "weerspiegelen": de reinforcement thesis of het minimal effects model (Klapper, 1960) stelde dat mensen via zelfselectie kiezen wat bij hun belangen past, dat zo uitleggen dat het bij hun mening blijft passen, en vergeten wat hen tegenspreekt. De media hadden dan weinig invloed en versterkten vooral wat er al was.

Agenda-setting, framing en priming draaien dat om: de media bepalen mede waarover nagedacht wordt, hoe een gebeurtenis wordt verteld en met welke maatstaf andere onderwerpen worden beoordeeld. Kaid e.a. (1991) vatten dat samen met drie realiteiten: de objectieve gebeurtenis, de subjectieve waarneming ervan, en de door de media geconstrueerde versie. De vraag "vormen of weerspiegelen" veronderstelt dus een keuze die de theorie niet maakt.

De reinforcement thesis is bovendien niet dood. In de gepolariseerde delen van de Amerikaanse media is hij herleefd: wie een uitgesproken conservatieve zender kijkt, was dat vaak al. Het aardige is dat het internet allebei versterkt: het maakt meer bronnen beschikbaar (meer kans op vorming) en maakt het makkelijker om alleen je eigen bronnen te kiezen (meer weerspiegeling, in de vorm van een echo chamber).

Het vertrouwen in de media is het hoogst in hybride en autoritaire staten en het laagst in de meest democratische. Waarom zouden we persvrijheid dan nog belangrijk vinden?

De cijfers zijn echt: de Edelman Trust Barometer 2023 onderzocht 28 landen, vond dat maar de helft van de respondenten de media vertrouwde, met 79 procent in China als hoogste en 27 procent in Zuid-Korea als laagste score, en zag het vertrouwen hoogst in hybride en autoritaire staten.

Een deel van de verklaring ligt in de rollen die de media daar spelen. In autoritaire regimes beheersen ze de nieuwsstroom, overstemmen ze dissidente stemmen, schragen ze de legitimiteit van het regime en brengen ze de oppositie in diskrediet, terwijl kritische journalisten worden lastiggevallen en de sector uit zelfbehoud zelfcensuur toepast. Waar tegenspraak niet zichtbaar is, is er ook weinig aanleiding voor twijfel. In een democratie is de watchdogrol juist conflictueus: fouten, schandalen en beleidsfiasco's komen naar buiten, populistische leiders vallen de pers aan als "fake news", en een meerderheid van de respondenten vond dat journalisten opzettelijk probeerden te misleiden. Vertrouwen meet dus niet hetzelfde als persvrijheid: de World Press Freedom Index meet of journalisten onafhankelijk van politieke, economische, juridische en sociale inmenging kunnen werken.

Maar dat lost het probleem niet op: de persvrijheid komt altijd in het gedrang zolang het vertrouwen in de media laag is. De vraag die je zelf moet beantwoorden: als laag vertrouwen de persvrijheid ondermijnt en een vrije pers laag vertrouwen produceert, wat zou dan volgens jou de weg uit die cirkel zijn?

Is propaganda echt erger in autoritaire stelsels, of wordt de invloed op wat mensen denken in democratieën alleen anders verwoord?

Op papier is het verschil groot. In democratieën informeren de media, houden ze bestuurders verantwoordelijk en verbinden ze de civil society; in autoritaire regimes beheersen ze het nieuws, schragen ze het regime, beschadigen ze de oppositie en ondermijnen ze via sociale media de democratie elders. Nederland staat in de kleine groep landen waar de staat van de persvrijheid goed is, Venezuela geldt als Very Serious, en dat verschil is niet cosmetisch: daar verbiedt een wet uit 2004 nieuws dat haat zou aanwakkeren of autoriteiten zou "disrespecteren", verdwenen tientallen kranten en moesten honderden radiozenders sluiten.

Toch is de tegenstelling minder scherp dan ze lijkt. Ook democratieën leggen op hun eigen manier grenzen aan informatie op en doen moeite om de boodschap te vormen: mediaconcentratie bindt redacties aan bedrijfsbelangen en zet de netneutraliteit onder druk, populistische leiders vallen journalisten aan, en de georganiseerde desinformatiecampagnes die het Oxford Internet Institute in 81 landen vond, komen ook uit Australië, Duitsland, Zweden en de Verenigde Staten. Daar komt bij dat we over de dynamiek in autoritaire regimes juist minder weten, omdat aanhangers niet openhartig zijn en tegenstanders zwijgen of ondergronds zijn gegaan.

Dus: is het verschil er een van soort of van graad? Wat zou je over de Nederlandse mediamarkt moeten weten om vol te houden dat het slechts een gradueel verschil is, en welk bewijs zou je van gedachten laten veranderen?

Crawford (2021) zegt dat je bij artificial intelligence moet vragen voor wie ze wordt gebruikt en wie dat beslist. Wie zou dat in Nederland moeten beslissen?

Nog geen antwoord: een vraag om zelf over na te denken.

Hoofdstuk 13: Political participation

Is clicktivism nu echt meedoen, of vooral het gevoel dat je meedoet?

Beide, en dat is precies het probleem. Clicktivism staat in de rij van conventionele vormen: het delen van berichten en het steunen van online petities valt binnen de wet en binnen de gewone politieke kanalen, en het hoort bij digitaal activisme. De bijnaam slacktivism zegt intussen wat critici ervan denken, en in de indeling van George en Leidner (2019) is clicktivism geen werk van gladiators maar een vorm van spectating: je kijkt en klikt, je vecht niet.

Toch is toekijken niet hetzelfde als niets doen. Het internet maakt het mogelijk politieke informatie te verzamelen in een detail dat een generatie eerder onmogelijk was, en die informatie via clicktivism door te geven. Green (2010) zet daar een sterke claim op: in een tijd van spectatorship is de blik van het publiek, hun ogen eerder dan hun stem, de bron van hun macht. Wie dat serieus neemt, moet spectating als een leidende en invloedrijke vorm van participatie zien.

De vraag is dus niet of clicktivism meetelt, maar hoe ruim je de definitie wilt maken. Theocaris en van Deth (2018) rekenen ook het beïnvloeden van andere burgers mee en Peters (2018) vraagt of passief leren over politiek erbij hoort; doe je dat allemaal, dan valt participatie hoger uit dan de conventionele cijfers laten zien, maar loop je in de val van een definitie die zo ruim is dat ze niets meer uitsluit.

Waarom stemmen armere kiezers zo vaak op partijen die de rijken ontzien?

Dat het gebeurt, staat vast. Huber en Stanig (2009) wezen erop dat grote aantallen armere kiezers in welvarende democratieën partijen steunen die tegen precies de hogere belastingen en de herverdeling zijn waarvan zij zouden profiteren. De overwinning van Donald Trump in 2016 is het schoolvoorbeeld: hij haalde veel steun bij kiezers die zich door politieke en economische elites gemarginaliseerd voelden en die zijn beloften over immigratie en werk aantrekkelijk vonden, terwijl hij vooral vermogende bestuurders benoemde en beleid maakte dat de belastingdruk op rijken en bedrijven verlaagde.

Er liggen meerdere verklaringen klaar. Rational choice zegt dat de keuze rationeel kan zijn zodra je het doel anders definieert: bij Brexit en bij Trump bleek de stem bij nader onderzoek een rationele vorm van protest tegen de status quo. Kwestiestemmen biedt een tweede route: een kiezer die immigratie of veiligheid het belangrijkste vindt, stemt op de partij die daar het dichtst bij staat, ook als het belastingplan hem geld kost. En economisch stemmen laat zien dat het oordeel vaak retrospectief is en over de hele economie gaat, niet over de eigen portemonnee.

Wat die verklaringen niet oplossen, is de vraag wanneer je een stem nog rationeel mag noemen. Als elke uitkomst achteraf rationeel te noemen valt, verklaart de theorie niets meer. Waar zou jij de grens leggen: bij de vraag of de kiezer zijn eigen belang kende, of bij de vraag of hij bij zijn eigen doelen de beste optie koos?

Zegt een hoge opkomst iets goeds over een democratie?

Niet automatisch, en dat is contra-intuïtief. Het oudste perspectief, dat teruggaat op de Grieken, zegt van wel: meedoen aan collectieve besluitvorming is burgerplicht en tegelijk persoonlijke vorming, het verbreedt de horizon en levert politieke educatie, en wie wegblijft is een free-rider die profiteert van de inspanning van anderen. In die lezing is elke stijging winst.

Het tweede perspectief is nuchterder. Mensen zijn geen natuurlijke politieke dieren, en hogere participatie kan minder een teken van gezondheid zijn dan van onopgeloste spanningen in het stelsel. Demonstraties, protesten en zelfs een hoge opkomst kunnen betekenen dat het systeem overkookt, terwijl beperkte deelname in normale tijden juist kan betekenen dat de overheid aan de wensen van mensen tegemoetkomt, zodat zij hun tijd aan andere dingen kunnen besteden.

Wat in beide lezingen overblijft, is de eis dat de kanalen open zijn en gebruikt worden. Schudson (1998) vergeleek burgers met ouders die hun kinderen bij het zwembad in het oog houden: ze doen niets, maar ze staan klaar. Rosanvallon (2008) maakt daar een positie van door monitoring een vorm van participatie te noemen en waakzaamheid "a mode of action". Je kijkt dus beter naar de vraag of mensen kunnen ingrijpen wanneer het nodig is dan naar het opkomstcijfer alleen.

In een democratie als Nederland is de school die een Kamerlid naar zijn regio haalt gewoon politiek, in Kenia heet contant geld op een campagnebijeenkomst cliëntelisme. Waar ligt de grens?

De definities helpen maar tot een bepaald punt. Vote buying is het verstrekken van goederen en voordelen aan kiezers in ruil voor hun steun bij verkiezingen, en Schaffer (2007) rekent daar uitdrukkelijk niet alleen contant geld en goederen onder, maar ook diensten; bijna elk geval waarin een volksvertegenwoordiger kan wijzen op een fabriek, school of legerbasis die hij naar zijn district haalde, past in die omschrijving. Cliëntelisme is de belofte van materiële goederen of publieke middelen in ruil voor electorale steun, en de Keniaanse kandidaat die na zijn beloften over banen en voedselzekerheid geld begon uit te delen (Kramon, 2018) valt daar zonder discussie onder.

Er is dus geen scherpe grens in de handeling zelf, maar wel een verschil in graad en in context. Patronage werkt als quid pro quo: u steunt mij, ik lever u gunsten, en de gekozene wordt dienaar van een bevoorrechte groep in plaats van van het publiek. Dat verschijnsel bestaat in democratische én autoritaire stelsels, maar het wordt in het eerste geval scherper afgekeurd en in het tweede vaker en openlijker gebruikt. Patroon-cliëntrelaties wegen daarbij het zwaarst in arme, ongelijke samenlevingen met zwakke instituties, waar ze het hoofdkanaal tussen bestuur en bestuurden zijn.

Blijft de vraag waar je in een democratie de streep zet. Is het de directheid van de ruil, het individuele karakter ervan, of het feit dat publieke middelen selectief worden ingezet? Formuleer eens een criterium dat de school in de eigen regio toestaat en het geld in de zaal uitsluit, en kijk of het ook overeind blijft bij een subsidie die precies één gemeente bereikt.

Als publieke opinie in autoritaire regimes zo moeilijk te meten is, wat zeggen de cijfers over Rusland dan eigenlijk?

Nog geen antwoord: een vraag om zelf over na te denken.

Hoofdstuk 14: Elections

Als proportionele representatie voorkeuren het best weerspiegelt, waarom stapt een land met een districtenstelsel dan niet gewoon over?

Omdat evenredigheid niet het enige is wat een kiesstelsel moet leveren. Single-member plurality heeft juist een van de beste staten van dienst in het produceren van stabiele meerderheidsregeringen, en het levert per district één herkenbare afgevaardigde op. Die twee dingen raak je kwijt als je overstapt: PR levert bijna nooit een partij met een zetelmeerderheid op, dus de gewone uitkomst is een coalitie, en die is potentieel instabiel.

Daar komt de versplintering bij. Vrijwel elk PR-stelsel bouwt daarom een drempel in, meestal 3 tot 5 procent en in Turkije 10 procent, en Israël laat zien wat er gebeurt als die te laag staat: met 2 procent kwamen er in 2013 twaalf partijen in een Knesset van 120 zetels, en tussen april 2019 en november 2022 waren vijf verkiezingen nodig omdat kleine partijen de machtsbalans in handen hielden. Dat is precies de omgekeerde klacht: niet dat stemmen verdwijnen, maar dat een handvol zetels de koers van de regering bepaalt.

En overstappen is politiek moeilijk. De poging om de alternative vote in Groot-Brittannië in te voeren werd in 2011 in een nationaal referendum zwaar verworpen, mede omdat kiezers het stelsel te ingewikkeld vonden. Wie het stelsel wil hervormen, moet dus eerst de kiezer overtuigen die het huidige stelsel wél begrijpt.

Een referendum laat de kiezer zelf beslissen. Is dat dan niet per definitie democratischer dan een verkiezing?

De verleiding is groot om ja te zeggen, want bij een verkiezing beslis je alleen wie beslist, en bij een referendum beslis je zelf. Er staat ook een rij voordelen tegenover: regeringen horen kiezers direct in plaats van via politici, partijen of belangengroepen, kiezers krijgen vaker iets te zeggen en gaan de kwestie beter begrijpen, politici horen opvattingen die anders onopgemerkt blijven, en een regering die er zelf niet uitkomt heeft een veiligheidsventiel.

Maar de bezwaren gaan niet over de smaak van de uitkomst, ze gaan over de vorm. Een kwestie kan te complex zijn voor een simpel ja of nee. Het oordeel van de kiezer wordt vaak ingegeven door bredere overwegingen dan de propositie op het biljet. Referendums polariseren doordat ze controverse en verdeeldheid aanwakkeren, ze zijn duur, de timing kan beslissend zijn, en te veel referendums vermoeien de kiezer en drukken de opkomst. En dan is er de vraagstelling: voor het Schotse referendum van 2014 wilde de Scottish National Party "Do you agree that Scotland should be an independent country?", tot de kiescommissie het neutralere "Should Scotland be an independent country?" doordrukte, waarna er weer werd gevreesd dat die formulering de ene kant een positieve ja-campagne gaf en de andere een negatieve nee-campagne. Bij een gewone verkiezing bestaat zo'n discussie niet.

De vraag die je zelf moet beantwoorden: als de uitkomst van een referendum afhangt van wie de vraag mag formuleren en wanneer hij gesteld wordt, wie is dan eigenlijk de beslisser?

Waarom houdt een autoritair regime verkiezingen als het toch niet kan verliezen?

Omdat die verkiezingen werk doen dat repressie niet doet. Zes op de tien mensen leven onder autoritair bewind, en bijna allemaal krijgen ze verkiezingen van een of andere soort. Die verkiezingen coöpteren de elite, doordat partijleden en grote sociale groepen mogen meedelen in de buit van het ambt, en ze coöpteren de oppositie, doordat een deel van haar zetels krijgt en zij daardoor verdeeld raakt. Ze genereren informatie: het regime ziet waar zijn steun en zijn tegenstand zitten, en dus wie het moet belonen, intimideren of straffen. Ze wenden revolutie af doordat ook de armen mogen stemmen en gekozen worden, ze betrekken burgers via beperkte lokale democratie, en ze laten het regime claimen dat het op de volkswil rust, hoe ongegrond die claim ook is.

Dat verklaart ook waarom het regime de vorm van een verkiezing zo nauwkeurig bewaart. Egypte onder Mubarak (1981-2011) hield vijf presidentsverkiezingen, waarvan vier eigenlijk referendums waarin hij zonder tegenkandidaat officieel nooit onder 94 procent kwam, en zeven rondes parlementsverkiezingen die formeel door meerdere partijen werden betwist. Iran houdt reguliere verkiezingen voor president en parlement, terwijl de Guardian Council de kandidatenlijst zuivert.

De keerzijde is dat de vorm ook een risico is. Smyth (2020) betoogt dat de competitie in Rusland, hoe zwak ook, het land kwetsbaarder maakt voor oppositie dan westerse waarnemers denken, en Nigeria en Turkije laten zien dat in een hybride regime een lage opkomst of zelfs een nederlaag echt mogelijk is.

Ik moet Nederland naast een ander land zetten. Hoe pas ik dit hoofdstuk daarop toe zonder de vier stelsels door elkaar te halen?

Begin niet bij het land maar bij de rubriek. Zoek eerst uit in welke van de vier families het stelsel valt: plurality (SMP of SNTV), proportioneel (lijstenstelsel of STV), majority (tweeronden of instant runoff) of gemengd (MMM of MMP). Bepaal daarna drie dingen die het hoofdstuk als onderscheidend behandelt: is er een drempel, en hoe hoog; zijn de lijsten gesloten of open (dus is er preference voting); en gaat het om één kamer of om de lagere kamer van een tweekamerstelsel, want de voorbeelden in tabel 14.1 verwijzen meestal naar de lagere kamer.

Zet daar de voorspellingen van het hoofdstuk naast. Bij een lijstenstelsel: zelden een partij met een zetelmeerderheid, dus coalitievorming, en de kans op versplintering als de drempel laag staat. Bij SMP: stabiele meerderheden, maar een stemmentotaal dat zelden een gelijk zeteltotaal wordt, en veel districten die veilig zijn voor één partij, wat de opkomst drukt. Voor de uitvoerende macht geldt een andere logica: één ambt valt niet te verdelen, dus PR valt daar af en gaat het om de vraag of de winnaar een geloofwaardig mandaat heeft.

Twee valkuilen. Ten eerste: vergelijk gelijksoortige dingen, dus een parlementsverkiezing met een parlementsverkiezing, niet met een presidentsverkiezing. Ten tweede: haal een drempel niet door elkaar met spreidingseisen; het eerste bepaalt wie zetels krijgt, het tweede hoe de steun van een winnende kandidaat over regio's of groepen verdeeld moet zijn.

Wat je zelf moet vaststellen: in welke familie valt het Nederlandse stelsel volgens de kenmerken uit tabel 14.1, en welke van de voorspellingen hierboven zie je in de praktijk terug?

Levitsky en Way noemen de competitie in zulke regimes "real but unfair". Wie bepaalt eigenlijk waar echt overgaat in oneerlijk?

Nog geen antwoord: een vraag om zelf over na te denken.

Hoofdstuk 15: Political parties

Als bijna niemand partijen nog vertrouwt, waarom schaffen we ze dan niet af?

Omdat er niets is dat hun werk overneemt. Vijf rollen liggen bij partijen: ze geven een regering een fundament, ze bieden kiezers contrasterende beleidspakketten, ze bundelen kandidaten en vertegenwoordigers rond gedeelde labels en doelen, ze mobiliseren burgers en ze werven en steunen kandidaten voor een ambt. Haal partijen weg en die vijf taken blijven bestaan; ze moeten alleen door iets anders worden gedaan, en niemand weet door wat.

Het tweede argument is empirisch. Partijen bestaan in vrijwel elk politiek stelsel, en waar ze níet bestaan is dat geen toeval: de no-party systems liggen bijna allemaal in het Midden-Oosten, in autoritaire regimes waar partijvorming verboden is of nooit is toegestaan. In een open en democratische samenleving ontstaan ze vrijwel onvermijdelijk, omdat kiezers met vergelijkbare opvattingen gaan samenwerken om de regering in handen te krijgen. Dat partijen ofwel worden gemonopoliseerd door een autoritair regime ofwel worden verboden, is een aanwijzing hoe belangrijk ze zijn.

Let wel op waar de kritiek precies op zit. Het verwijt is niet dat partijen niets doen, maar dat ze eerder hun eigen belang en dat van hun leiders behartigen dan dat ze kiezers een keuze bieden, en dat ze niet langer energieke agenten van de samenleving zijn maar deel van de staat zijn geworden. Dat is een argument voor andere partijen, of andere spelregels, niet voor géén partijen.

Is een tweepartijenstelsel eerlijker of alleen overzichtelijker dan een meerpartijenstelsel?

Begin bij wat de twee stelsels doen. In een tweepartijenstelsel wisselen twee partijen van vergelijkbare grootte elkaar af, met doorgaans een zetelmeerderheid maar niet noodzakelijk een stemmenmeerderheid. Dat laatste is de kern van de zaak: in Groot-Brittannië leverde net geen 44 procent van de stemmen in 2019 een meerderheid van 56 procent van de zetels op. Overzichtelijk is het dus wel, want je weet wie regeert en wie de rekening krijgt bij de volgende verkiezing. Eerlijk in de zin van proportioneel is het niet, en het stelsel houdt zichzelf ook in stand: zonder het meerderheidsstelsel valt het uiteen.

In een meerpartijenstelsel vertegenwoordigen partijen specifieke sociale groepen of opiniegroepen in verdeelde samenlevingen, en wordt het parlement een arena van verzoening waar coalities op kleine verschuivingen vallen. Nederland hoort bij die groep: het valt onder "het grootste deel van Europa" in tabel 15.1, en in tabel 15.2 staan Nederlandse partijen in drie verschillende partijfamilies (Democraten 66 bij de sociaaldemocraten, de Volkspartij bij de liberalen, de Partij voor de Vrijheid bij rechts). De prijs staat er ook bij: Sartori's fragmentatie loopt van gematigd via gepolariseerd naar geatomiseerd, en Denemarken, dat sinds 1909 geen partij met een meerderheid meer heeft gezien, is in die reeks doorgeschoven.

Dan de vraag die je zelf moet beantwoorden: is de vergelijking wel eerlijk als je "duidelijkheid over wie regeert" naast "een parlement dat de verdeeldheid van de samenleving weerspiegelt" zet? Welke van de twee wil je wegen als de kwaliteit van een stelsel, en waarom zou het antwoord in Groot-Brittannië hetzelfde moeten zijn als in Nederland?

Publieke financiering van partijen: verbetering, of het begin van een kartel?

Allebei, en dat is precies het punt. De voordelen zijn reëel: staatssteun maakt het speelveld gelijker en vermindert de kansen op corruptie, wat belangrijker is geworden nu ledenaantallen dalen en campagnes duurder worden. Staatssteun aan nationale partijen is in democratieën inmiddels vrijwel universeel.

De nadelen zijn ook reëel. Publieke financiering haalt de prikkel weg om leden te werven, kweekt partijen die eerder de staat dan de kiezer dienen en bevoordeelt grote, gevestigde partijen. Regeringspartijen beslissen zelf over die subsidie en kennen die dus in feite aan zichzelf toe. Dat is de cartel party van Katz en Mair (1995): "colluding parties become agents of the state and employ its resources to ensure their own survival". Het gevolg is niet alleen dat die partijen sterker worden, maar dat ze deel van het politieke establishment worden, hun rol als vertegenwoordiger van bepaalde sociale groepen verzwakken en de groei van nieuwe partijen op de politieke markt tegenhouden.

Voor een tentamenantwoord is de scherpste formulering: publieke financiering lost het probleem van geld op door een probleem van toegang te maken. Wie op de markt zit bepaalt de spelregels van de markt.

Een nichepartij slaagt het best door te matigen. Is ze dan nog een nichepartij?

De spanning zit in de definitie zelf. Een niche party spreekt een smal deel van het electoraat aan, meestal op niet-economische thema's, en is niet-centristisch of extremistisch, gericht op één of enkele kwesties, of dwars op de traditionele scheidslijnen en partijverhoudingen. Tegelijk staat er dat zulke partijen het best slagen door hun positie te matigen en hun beperkte steun te exploiteren. Matigen betekent opschuiven naar het midden, en dat is exact de beweging die van een partij een catch-all party maakt.

Twee soorten succes helpen het onderscheid maken. Sommige nichepartijen hebben in coalities gezeten, zoals de Freedom Party in Oostenrijk en de Zwitserse Volkspartij; andere zijn nooit gaan regeren maar hebben de agenda van de mainstream beïnvloed, zoals UKIP in Groot-Brittannië. In Zweden zie je een derde variant: de Sweden Democrats groeiden van minder dan 3 procent in 2006 naar ruim 20 procent in 2022 terwijl de sociaaldemocraten terugvielen naar hun laagste aandeel sinds 1911.

Dus: is "niche" een eigenschap van het programma, van de omvang, of van de positie ten opzichte van de andere partijen? En als het de positie is, wat gebeurt er dan met het label zodra de mainstream de standpunten van de nichepartij overneemt?

Bestaat er een ideaal aantal partijen, of heeft elke samenleving haar eigen manier om zich tot partijen te verhouden?

Nog geen antwoord: een vraag om zelf over na te denken.

Hoofdstuk 16: Interest groups

Als een levendige groepenwereld een teken is van een gezonde democratie, waarom zou je je dan zorgen maken over de invloed van belangengroepen?

Omdat er twee dingen tegelijk waar zijn, en dat is geen tegenspraak maar een spanning die je moet kunnen benoemen. De ene kant: burgers kunnen zich vrij organiseren, gedeelde problemen benoemen en die samen aanpakken zonder van de overheid afhankelijk te zijn. Dat is civil society, en de vrijheid van groepen om zich te organiseren en zich uit te spreken is een maat voor de gezondheid van een democratie. Autoritarisme laat zich juist herkennen aan de beperkingen op dat werk.

De andere kant: het speelveld is niet gelijk. Wie geld, contacten en een belang dicht bij de heersende elite heeft, wordt eerder gehoord, en waar de invloed van verschillende belangen uit balans raakt, kunnen groepen elitisme aanwakkeren en een barrière voor democratie worden. De ijzeren driehoek is daar het scherpste voorbeeld van: bevoorrechte toegang tot de gangen van de macht, met corruptie als risico.

Er zit nog een derde lezing in, die studenten vaak overslaan. De behoefte aan belangengroepen kun je óók lezen als het falen van de overheid: burgers stappen in het gat dat de overheid laat vallen. Wie de eerste twee lezingen naast elkaar zet en de derde toevoegt, heeft het hele argument.

Is lobbyen een net woord voor omkoping?

Op die vraag is geen sluitend antwoord te geven, maar hij valt wel op te splitsen. Lobbyen kan worden gezien als een normaal onderdeel van democratische betrokkenheid: een groep brengt kennis en een standpunt naar de plek waar het besluit valt, en de ruil met ambtenaren is tweezijdig, want die krijgen informatie terug voor hun gehoor. Tegelijk roept het scherpe vragen op: geeft het machtige groepen bijzondere toegang, en kan een rijk belang een lobbykantoor betalen om een wetsvoorstel te laten sneuvelen of een regel uit te stellen?

Twee redenen om niet te snel ja te zeggen. Lobbyisten hebben er belang bij hun eigen invloed te overdrijven, want dat is hun verkoopargument. En toegang tot beleidsmakers leidt niet automatisch tot verandering, behalve waar de banden tussen overheid en sleutelbelangen bijzonder sterk zijn, zoals in Japan.

Dan de vraag die je zelf moet beantwoorden: wat zou je moeten kunnen meten om het verschil tussen invloed en omkoping vast te stellen, en zijn die gegevens er eigenlijk wel?

De Nederlandse Sociaal-Economische Raad is corporatisme, en de Chinese vakbondsfederatie ook. Wat onderscheidt ze dan van elkaar?

De definitie past op beide: geselecteerde belangen zijn formeel bij het bestuur betrokken en leveren steun in ruil voor toegang. Het verschil zit in de richting waarin het arrangement werkt en in de mate van controle.

In Nederland zitten vakbonden en werkgeversorganisaties samen met door de regering benoemde experts in een raad die de regering economisch advies geeft en als platform voor bemiddeling en onderhandeling dient. De belangen behouden hun eigen organisatie en brengen die naar binnen; in democratieën werkt corporatisme dan ook grotendeels goed. In het Chinese geval waren de massaorganisaties door partijfunctionarissen geleid en brachten zij partijbeleid naar beneden in plaats van zorgen naar boven, als "transmission belts": vakbonden, media, jeugdorganisaties en beroepsverenigingen waren nauwelijks meer dan takken van de partij.

De formulering die je op een tentamen wilt gebruiken: in het autoritaire geval is het doel groepen te erkennen én ze te gebruiken om de invloed van de overheid uit te breiden in een civil society die daardoor niet langer werkelijk civiel is. Zelfde vorm, omgekeerde functie.

Olson schreef in 1965. Houdt zijn argument stand nu iedereen met een telefoon een campagne kan beginnen?

Er liggen twee tegenwerpingen klaar. De eerste is empirisch: er zijn sindsdien wél groepen opgekomen voor consumenten en andere gespreide belangen, en sommige hebben een stevige stem gekregen. Trumbull (2012) noemt het daarom een verkeerde lezing van de geschiedenis dat diffuse belangen niet te organiseren zijn; volgens hem weegt legitimiteit zwaarder dan organisatie, en koppelen "legitimacy coalitions" van activisten en toezichthouders hun agenda aan het brede publieke belang.

De tweede is technologisch: internet en sociale media maken het veel makkelijker om mensen met hetzelfde belang te vinden. Daar hoort meteen een rem bij. Een account openen kost bijna niets, en de betrokkenheid blijft vaak steken in wat in hoofdstuk 13 clicktivism heet: een reactie plaatsen, iets doorsturen. Het leidt niet per se tot nieuwe belangengroepen.

Dus: als organiseren goedkoper is geworden maar het volhouden niet, welk deel van Olsons probleem is dan opgelost en welk deel niet? En wat betekent dat voor een groep die niet één campagne wil winnen maar jarenlang aan een dossier wil werken?

Waar houdt een belangengroep op en begint een sociale beweging?

Nog geen antwoord: een vraag om zelf over na te denken.

Hoofdstuk 17: Public policy

Als het incrementele model en het garbage-can-model zo veel realistischer zijn, waarom moet je het rationele model dan nog kennen?

Omdat het rationele model geen beschrijving is maar een ijkpunt. Het zegt hoe beleid eruit zou zien als doelen vóór de middelen werden vastgesteld en als alle effecten van alle opties werden meegewogen. Zonder die maatstaf is er niets om het rommelige werkelijke proces tegen af te zetten.

Zie het aan de kolom "Analyse" in tabel 17.1. Bij het rationele model is die alomvattend, bij het incrementele model selectief (het doel is het meest aanvaardbare beleid, niet het beste) en bij het garbage-can-model nauwelijks aanwezig, want de overheid handelt eerder dan dat ze beslist. Die drie zijn geen concurrenten die elkaar uitsluiten maar een schaal van hoeveel doelgerichtheid je in een geval terugvindt.

Praktisch is het rationele model ook nog steeds het model waarin ministeries hun stukken schrijven: doelstelling, opties, kosten-batenanalyse, keuze. Dat de werkelijkheid daar niet aan gehoorzaamt, betekent niet dat het niet stuurt hoe beleid wordt verantwoord.

Nederland heeft een lange traditie van polderen. Betekent dat dat Nederlands beleid per definitie incrementeel is?

Er is iets voor te zeggen. Bij Lindblom (1959, 1979) begint beleid niet bij doelen maar bij belangen: het wordt in kleine stappen bijgesteld, en wat telt is dat de betrokkenen het eens worden over het beleid, niet over de doelen. Dat lijkt op wat een coalitieregering met sociale partners doet, en incrementalisme past nu eenmaal beter bij stabiele hogere-inkomensdemocratieën dan bij landen die zich via ontwikkeling willen omvormen.

Maar let op de sprong die je hier maakt. Een beleidsmodel gaat over hoe één besluit tot stand komt; een beleidsstijl gaat over de bepalende kenmerken van beleid in een land, gebaseerd op waarden, gewoonten en tradities. Zweden laat zien dat die twee niet samenvallen: de enquêtecommissies zijn juist een combinatie van het rationele én het incrementele model, want informatie wordt verzameld en geanalyseerd terwijl georganiseerde tegenstanders alle ruimte krijgen.

Dus: welke van de vier typen uit tabel 17.2 zou je Nederland geven, en op welke van de twee assen twijfel je het meest, de openheid of de vraag of bureaucraten en experts of politici en publiek de toon zetten?

Tabel 17.2 geeft een 'closed' bureaucratic-democratic systeem hoge inclusiviteit. Hoe kan iets tegelijk gesloten en inclusief zijn?

Dat lijkt tegenstrijdig, maar de tabel meet twee dingen op twee assen. Inclusiviteit hangt aan de vraag of het regime democratisch of autoritair is: beide democratische typen hebben hoge inclusiviteit, beide autoritaire typen lage. Open of gesloten hangt aan de vraag wie het beleid maakt: gesloten betekent dat de overheid vooral of alleen met bureaucraten en experts werkt, open dat ze wil horen wat het publiek te zeggen heeft.

Een gesloten democratie is dus een land waarin burgers wel volwaardig meedoen aan de politiek (verkiezingen, rechten, oppositie) terwijl de voorbereiding van beleid grotendeels bij ambtenaren en deskundigen ligt. Duitsland, Mexico, Zuid-Korea en het Verenigd Koninkrijk staan als voorbeeld in die rij.

Dat is precies waarom deze tabel op een tentamen zo bruikbaar is: hij dwingt je de twee assen los van elkaar te lezen. Wie ze samenneemt, denkt dat "gesloten" hetzelfde is als "ondemocratisch", en dan vallen de vier typen terug op twee.

Als beleid in autoritaire regimes sneller tot stand komt, waarom zijn autoritaire landen dan niet beter in het oplossen van problemen?

Snelheid zit inderdaad aan hun kant: zodra de leider en de heersende elite vaststellen dat er een probleem is, kunnen middelen erop worden gericht zonder het publieke debat dat een democratie afremt. Moderniserende regimes met een heldere nationale agenda en een stevige greep op de macht kunnen daardoor grote koerswijzigingen doordrukken.

Daar staan drie dingen tegenover. Ten eerste valt met dat debat ook de variëteit aan opvattingen weg: experts worden alleen gehoord zolang hun visie in de lijn van de leiding zit, en problemen die de leiding onbelangrijk vindt blijven liggen. Ten tweede betekenen sterke beleidsvormende instituties niet dat beleid ook geslaagd wordt uitgevoerd; Jackson en Rosberg (1982) beschreven leiders met veel vrijheid om beleid te maken en veel obstakels om het uit te voeren. Ten derde verschuiven de motivaties: onzekerheid over overleven verleidt leiders tot verrijking van zichzelf en hun aanhang, wat middelen wegtrekt van economische en sociale ontwikkeling.

De vraag die daarna overblijft: is dat verschil een kwestie van soort of van graad? Tabel 17.5 zet vijf verschillen naast elkaar, en tegelijk gelden de beleidscyclus, de instrumenten en de effecten van diffusie en convergentie in beide typen, en moet een dictator volgens Williamson en Magaloni (2020) juist delegeren. Waar zou jij de grens leggen?

Als ideeën geen grenzen kennen en beleid toch altijd nationaal wordt vertaald, wie besluit dan eigenlijk wat een land gaat doen?

Nog geen antwoord: een vraag om zelf over na te denken.

Aizenberg & Braun (2024): Interest group politics in the Netherlands

Is het poldermodel nu geïmplodeerd of is het juist de dominante werkwijze? Aizenberg en Braun lijken beide te zeggen.

Ze zeggen beide, en dat is geen slordigheid maar het gevolg van Schmitters onderscheid. Corporatisme als organisatiestructuur en concertatie als bestuurspraktijk zijn twee verschillende dingen, en ze bewegen niet gelijk op. De structuur staat er nog: publiek aangewezen partners, overlegtafels, adviesraden, akkoorden. Dat deel is zelfs uitgebreid tot buiten het sociaaleconomische domein, met consultaties, rondetafels en city deals. In die zin is het model dominanter dan ooit.

Wat wegvalt, zijn de twee voorwaarden waarop het rust: maatschappelijke steun voor de hiërarchische structuur en een proactieve overheid die het overleg begeleidt en politieke grenzen stelt. Bij het klimaatakkoord met de landbouw staat de structuur er nog, houdt iedereen zich aan de onderhandelingslogica en ontbreken toch de sturing en de legitimiteit. Wie "geïmplodeerd" zegt, bedoelt dat de bond of de koepel niet meer namens zijn achterban kan spreken. Wie "dominant" zegt, kijkt naar het aantal overlegvormen. Voor het tentamen is de nette formulering: de vorm bloeit, de legitimiteit erodeert, en juist die combinatie haalt democratische controle uit het zicht omdat het parlement langs de zijlijn staat.

Als bedrijven in een corporatistisch stelsel al via hun koepel aan tafel zitten, waarom lobbyen ze dan steeds vaker alleen?

Aizenberg en Braun noemen dit zelf opmerkelijk: binnen een corporatistisch arrangement heeft een bedrijf niet vanzelf een prikkel om alleen te lobbyen, en toch kregen individuele bedrijven door de tijd meer toegang tot het parlement, de media en ministers. Ze stellen het vast, ze verklaren het niet.

Twee sporen liggen in de tekst voor je klaar. Het eerste is de kant van de organisaties: vakbonden en gevestigde beroepsverenigingen verliezen leden, dus een koepel die minder mensen vertegenwoordigt is een minder aantrekkelijk voertuig voor je belang. Het tweede is de kant van de overheid: als kabinetten deals sluiten met een smalle selectie partijen, telt eerder wie in de kamer zit dan wie een sector representeert. Wat de tekst je niet geeft, is de toets. Bedenk zelf welk gegeven je zou willen zien om tussen die twee te kiezen: ledenaantallen van koepels naast de agenda's van ministers, of iets anders?

Waarom mogen belangenorganisaties eigenlijk meebeslissen? Dat is toch niet waar we voor gestemd hebben.

De verdediging heeft twee delen. Het eerste is representatie: organisaties kunnen belangen bundelen die bij verkiezingen niet aan bod komen, en werken als transmissieriem tussen burgers en beleidsmakers. Het tweede is bestuurskwaliteit: zij leveren informatie, technische expertise, een rol als tussenpersoon voor een achterban en soms de uitvoering zelf. Daarom heet belangenbehartiging een aanvulling op de representatieve democratie en niet een concurrent ervan. In het corporatistische model staat de rem er bovendien expliciet in: aangewezen organisaties krijgen zeggenschap zolang zij de voorrang van de parlementaire democratie erkennen.

Het probleem is dat die voorwaarden in de Nederlandse praktijk niet allemaal opgaan. Toegang zit bij 200 organisaties, slechts 20 procent daarvan behartigt burgerbelangen, en binnen die burgergroepen zijn hoogopgeleiden en mannen beter vertegenwoordigd. Wie namens wie spreekt is dus precies de vraag, en daarom heet dezelfde rol in dezelfde tekst een zegen en een vloek.

Nederland is corporatistisch, en toch verschilt de ervaren invloed nauwelijks van die in pluralistische stelsels. Doet corporatisme dan wel iets?

Het is een van de weinige systematische bevindingen die er zijn, en hij is verwarrend: de variatie in ervaren invloed tussen corporatistische en pluralistische regimes is beperkt, en Nederlandse organisaties vertegenwoordigen publieke voorkeuren niet meer of minder dan die in andere EU-landen. Dat zegt echter iets over uitkomsten, niet over de weg ernaartoe. Binnen Nederland ligt de ongelijkheid vast in de toegang: geconcentreerd bij 200 organisaties, met bedrijfsbelangen vooraan, en een dichte belangengemeenschap verlaagt de toegang van de afzonderlijke organisatie zelfs sterker in een volgroeid stelsel als het Nederlandse dan in een jong stelsel als het Sloveense.

Er is nog een uitweg: invloed is berucht moeilijk te meten en vraagt triangulatie van meettechnieken, dus "geen verschil gevonden" kan ook betekenen dat het instrument te grof is. Kies zelf: gaat het corporatisme over wie er binnenkomt of over wat er uitkomt, en welke van die twee zou jij meten?

Kaapt de lobby in Nederland de democratie, of is 200 organisaties met toegang gewoon hoe beleid werkt?

Nog geen antwoord: een vraag om zelf over na te denken.

Hoofdstuk 6: Political culture

Is het multiculturalisme mislukt, zoals politieke leiders in Groot-Brittannië, Frankrijk en Duitsland op verschillende momenten hebben verklaard?

Eerst de vraag wat er dan mislukt zou zijn. Multiculturalisme is het bestaan van meerdere culturele of etnische groepen binnen één samenleving, en in die beschrijvende betekenis valt er weinig te mislukken: weinig staten zijn homogeen, en de mate waarin groepen hebben geleerd met elkaar te leven verschilt eenvoudigweg per land. De uitspraken van die leiders gaan over iets anders, namelijk over multiculturalisme als beleid en als ideaal, en dat is een politiek oordeel dat niet zonder meer uit de feiten volgt.

Canada laat zien dat het ook anders kan lopen. De Canadese wet van 1988 erkent dat multiculturalisme de culturele en raciale verscheidenheid van de samenleving weerspiegelt, en erkent de vrijheid van alle leden van die samenleving om hun culturele erfgoed te behouden, te versterken en te delen. Dat is een doelbewuste poging om de nationale identiteit langs die weg te definiëren in plaats van ondanks die weg, al bestaat ook daar in sommige kringen een tegenbeweging die op de Europese lijkt.

De scherpste toets is India. Regionale geschiedenissen die lang gescheiden liepen, een welvaartskloof tussen noord en zuid, een kastenstelsel dat zich taai toont, meer dan duizend talen waarvan er achttien als nationale taal gelden, en een religieuze verhouding die door het hindoenationalisme gespannen is geraakt: Mitra (2017) concludeert dat het juister is over meerdere Indiase politieke culturen te spreken dan over één. Wie dat accepteert, ziet dat de vraag verkeerd staat. Niet het multiculturalisme is mislukt, maar de aanname dat een land normaal gesproken één politieke cultuur heeft.

Zegt postmaterialisme ons vandaag nog iets, of was het een momentopname van een rijke generatie?

De empirische kern staat er goed bij. Inglehart (1971) zag welvaart en veiligheid omslaan in aandacht voor kwaliteit van leven, en de verhoudingen verschoven precies zoals hij voorspelde: waar materialisten begin jaren zeventig in veel westerse landen nog vier op één in de meerderheid waren, hielden de twee groepen elkaar rond 2000 ongeveer in evenwicht. Hoger onderwijs bleek de beste voorspeller, en de kloof tussen hoger en lager opgeleiden in Franse peilingen halverwege het vorige decennium was groot genoeg om dat te onderstrepen.

Toch schuurt er iets. Ignazi (1992) verweet het onderzoek dat het alleen naar links keek en op rechts een stille contrarevolutie miste, met een kernideologie die Mudde (2002) omschreef als angst voor de ander, voorrang voor het eigen land en hardere wetshandhaving. Dat is geen materialisme in de oude zin, want het gaat niet over economische groei of fysieke veiligheid alleen, maar het is evenmin postmaterialisme. Een raamwerk met twee vakjes krijgt zo'n beweging niet netjes ondergebracht.

En dan is er de reikwijdte. Het begrip is gebouwd op onderzoek in rijke westerse democratieën, terwijl over politieke cultuur in Mexico, Brazilië, India, Zuid-Afrika en Nigeria juist opvallend weinig te vinden is. Als de theorie verwacht dat welvaart postmaterialisme brengt, wat voorspelt ze dan voor een samenleving waar de welvaart zeer ongelijk verdeeld is? Zou je in zo'n land twee waardenpatronen naast elkaar verwachten, of vraagt dat om een heel ander begrip?

Verschillen democratische en autoritaire politieke cultuur uiteindelijk wel zoveel?

Het scherpste contrast dat er te maken valt, is dat tussen de pluralistische civic culture van Almond en Verba, met haar nadruk op zelfontplooiing, en de vaststelling van Welzel en Inglehart (2009) dat veel autoritaire regimes drijven op een bevolking die gezag en sterk leiderschap boven vrijheid en zelfontplooiing stelt. Ontstaat er in zo'n omgeving toch een democratie, dan is die kwetsbaar, want het is een democratie zonder democraten. Rusland vult dat in met cijfers: een meerderheid die het uiteenvallen van de Sovjet-Unie betreurt, driekwart dat de Sovjettijd de beste periode van het land noemt, en in hetzelfde jaar slechts de helft die het belangrijk vindt leiders te kunnen vervangen.

Er zijn drie redenen om dat contrast niet te hard te maken. De eerste is dat je in een autoritair regime elitecultuur en volkscultuur nauwelijks uit elkaar kunt halen, omdat de macht om één heerser en zijn kring draait en die kring zichzelf als de staat presenteert. De tweede is dat wat op autoritaire cultuur lijkt, ook het gevolg kan zijn van armoede, sociale breuklijnen of kolonialisme, en Mauk (2017) wijst erop dat er nauwelijks systematische vergelijkingen bestaan die dat uit elkaar trekken. De derde is dat het vertrouwen in de overheid in de gevestigde democratieën al decennia daalt, terwijl het in China juist hoog gemeten wordt, wat het beeld van twee tegenpolen niet bevestigt.

De eerlijkste conclusie is daarom dubbel. Er is een verschil, maar het zit eerder in wat mensen van politiek verwachten dan in de vraag of ze een politieke cultuur hebben, en dat verschil is minder scherp en minder goed onderzocht dan de tweedeling suggereert. Wie elk protest in een dictatuur als een roep om democratie leest, ziet vooral wat hij hoopt te zien, want democratie kan daar net zo goed begrepen worden als orde, nationale autonomie en een sterke economie.

Als politiek vertrouwen zo subjectief is, wat meten die vertrouwenscijfers dan eigenlijk?

Drie gevallen maken het ongemak zichtbaar. China scoort hoog op vertrouwen in het politieke stelsel, maar niemand kan zeggen of dat oprecht geloof is of voorzichtigheid bij mensen die weten wat openlijke kritiek op een autoritair regime kost. Japan scoort laag, bijna twee derde van de Japanners zegt de eigen regering niet te vertrouwen, terwijl het land juist hoog staat op de ranglijsten voor democratie, vrijheid en afwezigheid van corruptie. En Groot-Brittannië, in de jaren zestig het schoolvoorbeeld van vertrouwen en burgerzin, staat er nu laag bij, deels door de aanhoudende spanningen die economische ongelijkheid veroorzaakt.

Het probleem zit in de vraag zelf. Vertrouwen laat zich niet objectief vaststellen zoals een opkomstcijfer, want het is intuïtief en gevoelsmatig, en het antwoord hangt af van wat de respondent op dat moment voor zich ziet: het stelsel als geheel, de regering van vandaag, of de persoon die toevallig in het nieuws is. Peilingen die dat onderscheid niet maken, leggen alle drie tegelijk vast in één percentage.

Daar komt bij dat de richting van het verband niet vaststaat. Daalt het vertrouwen omdat instituties slechter presteren, of omdat de mensen erin zich slechter gedragen, of simpelweg omdat de economie tegenzit? Bedenk eens welke vraag je zou stellen om die drie uit elkaar te halen, en of je antwoord dan nog vergelijkbaar is tussen een land als Noorwegen en een land als Nigeria.

Identiteitspolitiek bracht de belangen van vrouwen, de LGBTQ+-gemeenschap, etnische minderheden en generaties onder de aandacht, maar kan ook als splijtzwam werken tegen andere groepen. Welke groepen zouden nog aan dat gesprek kunnen worden toegevoegd, en waar ligt voor jou het verschil tussen erkenning zoeken en verdeeldheid zaaien?

Nog geen antwoord: een vraag om zelf over na te denken.

Hoofdstuk 18: Political economy

Is het klassiek liberalisme nu eigenlijk verslagen of leeft het gewoon door onder een andere naam?

Verslagen is het zeker geweest. De Grote Depressie van de jaren dertig liet zien dat de markt geen gelijk speelveld is, dat machtige economische belangen grote politieke invloed uitoefenen, en dat gemeenschapsvoorzieningen als goed onderwijs, gezondheidszorg en infrastructuur beter van de staat komen. Na de Tweede Wereldoorlog kwam daar nog een golf van regulering en investeringen bovenop, en het ideaal van de nachtwakersstaat leek een historische curiositeit.

Toch kwam het terug. In de jaren tachtig werd het onder Margaret Thatcher en Ronald Reagan herboren als neoliberalisme. Harvey (2007) omschrijft die filosofie als de opvatting dat menselijk welzijn het beste gedijt bij het vrijmaken van ondernemerschap en vaardigheden binnen sterke private eigendomsrechten, vrije markten en vrijhandel. Dat is dezelfde kerngedachte als bij Adam Smith, alleen toegepast op een andere tijd. Conservatieven in veel democratieën hebben haar sindsdien overgenomen.

De interessante vraag is dus niet of het overleeft maar hoe. Het overleeft niet als compleet programma, want vrijwel geen enkele democratie heeft haar verzorgingsstaat afgeschaft en modern liberalisme is de dominante vorm gebleven. Het overleeft als permanente correctie: telkens wanneer de overheid te ver lijkt te zijn gegaan, ligt het klassiek liberale argument klaar. Daar hoort ook de kritiek bij dat het neoliberalisme "capitalism without a conscience" is: te veel nadruk op winst en groei, ten koste van economische en politieke gelijkheid en van sociale zekerheid (Monbiot, 2016). Een correctie die zelf geen grens kent, wordt vanzelf het probleem dat ze moest oplossen.

Wat blijft er van het radicalisme over nu staatssocialisme vrijwel verdwenen is?

Het pijnlijke antwoord eerst: de uitwerkingen zijn mislukt. Echt communisme is nergens bereikt. Wat de Sovjet-Unie voortbracht was staatssocialisme: staatseigendom, staatsmonopolies, een centraal geplande commando-economie en weinig respect voor individuele rechten. De wreedheid en de inefficiëntie van de Stalinjaren waren niet wat radicalen voor ogen hadden. Hetzelfde geldt voor China onder Mao Zedong. Het radicalisme raakte daardoor uit de gratie: de associatie met marxisme, leninisme, stalinisme en maoïsme bleef eraan kleven.

En toch. Het uitgangspunt van het radicalisme is niet dat de staat alles moet bezitten, maar dat de samenleving meer is dan een verzameling individuen en dat alleen de overheid vakbonden, een minimumloon en sociale voorzieningen kan garanderen. Wie die zin vandaag uitspreekt in een West-Europees parlement, klinkt niet radicaal maar volstrekt gewoon. Modern liberalisme heet dan ook uitdrukkelijk een uitloper van het klassiek liberalisme die elementen van het radicalisme opneemt (Ryan, 2012).

Dat levert een ongemakkelijke vraag op. Als het radicale programma grotendeels in het moderne liberalisme is opgegaan, is het radicalisme dan gewonnen of verdwenen? En wat betekent het dat marxistische ideeën relevant blijven om te begrijpen hoe kapitalisme werkt of juist niet werkt, terwijl vrijwel niemand nog de conclusies wil trekken die Marx eraan verbond? Waar zou jij de grens leggen tussen een radicaal argument en een gewoon sociaaldemocratisch argument?

Waarom lukt het Noorwegen en Canada wel om de grondstoffenvloek te ontlopen en veel autoritaire staten niet?

Het eerlijke begin is dat ook rijke democratieën het risico lopen. Canada en Noorwegen liepen precies hetzelfde gevaar, vooral door hun oliebezit. Wat hen redde, was niet geluk maar beleid: zorgvuldige en transparante besluitvorming, en de bewuste keuze de basis van hun economie te verbreden in plaats van alles op één sector te zetten.

De vier factoren achter de vloek laten zien waarom dat werkt. De eerste is de Dutch disease, waarbij een staat bijna alles op de makkelijk winbare sector inzet en een economie overhoudt die aan de prijsschommelingen van één product is overgeleverd. Brede investeringen zijn daar direct het antwoord op. De tweede is dat een regering die genoeg binnenhaalt met belasting op die ene grondstof geen prikkel meer voelt om in de vaardigheden van haar bevolking te investeren. De derde is dat de winsten diefstal en corruptie uitlokken, zodat het geld op de rekeningen van rijken en machtigen belandt in plaats van terug in de economie. Transparantie is precies de tegenmaatregel. De vierde is intern conflict wanneer armere regio's niet meedelen in de opbrengsten.

Autoritaire regimes hebben bij drie van die vier factoren het nadeel dat de rem ontbreekt. Er is geen oppositie die vraagt waar het geld heen gaat, geen rechter die de corruptie stuit, geen kiezer die een regering wegstuurt die niet in onderwijs investeert. Sterker nog, het inkomen uit de hulpbron werkt daar averechts: het maakt belastingheffing overbodig en daarmee ook de verantwoording die daarbij hoort, wat de rentenierstaat in stand houdt. Het verschil zit dus niet in de grondstof maar in de vraag of er iemand is die de heerser kan tegenhouden.

Heeft de verzorgingsstaat nog toekomst?

De cijfers zijn geruststellender dan het gevoel. Voor velen is de verzorgingsstaat de grootste beleidsprestatie van de democratische staat. Democratieën houden hun welvaartsprogramma's overeind, ook als de economie tegenzit, en die programma's slokken doorgaans het grootste deel van de nationale begroting op. Zelfs in de Verenigde Staten, waar veel mensen denken dat defensie de grootste post is, gaat ruim 60 procent van de federale uitgaven naar sociale zekerheid, uitkeringen en publieke zorg, tegen 15 procent naar het leger.

De druk is intussen echt. De vraag groeit mee met de vergrijzing, en vier spanningen komen samen. De verzorgingsstaat berust op een open verplichting aan iedereen die aan de voorwaarden voldoet. Een duurder stelsel dan dat van andere landen kost internationale concurrentiekracht. De opkomst van Azië gaat gepaard met veel goedkopere stelsels. En de pandemie heeft de stelsels verder belast, met effecten die nog niet zijn uitgewerkt. Het antwoord tot nu toe is een beperkte terugtocht: lagere uitkeringen, strengere toegangseisen, een hogere pensioenleeftijd, eigen bijdragen voor bijvoorbeeld medische behandeling, en minder rechten voor nieuwe en deeltijdwerkers.

Achter die maatregelen zit een verschuiving die groter is dan de maatregelen zelf: van sociale naar economische prioriteiten. Mensen aan het werk krijgen dient dan vooral om de productie en de belastinginkomsten op te voeren. Dat is precies de beweging die de convergentiethese voorspelt, al is het bewijs voor die these verre van eenduidig. Vraag jezelf eens af wat je zou verwachten als de these klopt: zouden Finland en Australië dan over twintig jaar op elkaar moeten lijken, of blijft het verschil bestaan zolang kiezers er verschillend over denken?

China en de Verenigde Staten voeren volstrekt verschillend economisch beleid en komen toch op vrijwel dezelfde ongelijkheid uit. Wat zegt dat over de waarde van de vijf perspectieven, en welke andere verklaring zou je zoeken?

Nog geen antwoord: een vraag om zelf over na te denken.

Bakker & Lelkes (2021): De structuur, verspreiding en aard van belief systems

Als ideologie voor 40 procent erfelijk is, wat blijft er dan nog over van politieke overtuiging?

Meer dan het cijfer suggereert. De meta-analyse van Hatemi et al. (2014) met 12.000 tweelingparen uit 9 steekproeven schrijft 40 procent van de totale variatie in ideologie aan genetische invloed toe. Dat is precies evenveel als de unieke omgevingsinvloed en twee keer zoveel als de gedeelde omgevingsinvloed, dus het merendeel van de verschillen tussen mensen ligt buiten de genen. Belangrijker is dat het cijfer niets zegt over de route. Waaróm ideologie erfelijk is blijft juist de open vraag. De gedachte dat persoonlijkheid de ontbrekende schakel tussen genen en ideologie is, kun je bovendien op vier manieren lezen: genen sturen persoonlijkheid en persoonlijkheid stuurt ideologie, genen sturen ideologie en ideologie kleurt de persoonlijkheid, beide zijn wederzijds oorzaak en gevolg, of dezelfde genetische component raakt allebei onafhankelijk (Dawes en Weinschenk, 2020).

Bovendien staat de kant van bovenaf los van dit cijfer. Aanhangers van Donald Trump bewogen in 2016 hun oordeel over het minimumloon met hem mee (Barber en Pope, 2019), en de toename van ideologische constraint in het Amerikaanse publiek sinds de jaren zeventig wordt toegeschreven aan polariserende elites die duidelijker maken wat bij wat hoort (Levendusky, 2010). Erfelijkheid en beïnvloedbaarheid sluiten elkaar dus niet uit. Ze zitten in dezelfde trechter, alleen op een andere hoogte.

De grote replicatie van Oxley et al. leverde niets op. Is het biologische spoor daarmee dood?

Niet dood, wel smaller. Wat sneuvelde is één specifieke claim. Een grote preregistreerde replicatie, dus met vooraf vastgelegde hypothesen, herhaalde het onderzoek met precies dezelfde prikkels en vergelijkbare procedures en vond geen verband tussen fysiologische dreigingsgevoeligheid en conservatieve ideologie, en ook niet tussen walging en conservatisme (Bakker, Schumacher, et al., 2020). Fournier et al. (2021) vonden over 17 landen op 5 continenten evenmin consistent bewijs, dus het gaat niet om één toevallige mislukking. Bakker en Lelkes trekken daar zelf de nette grens: het betekent niet dat ideologie geen biologische wortel heeft, wel dat fysiologische reacties op dreiging en walging waarschijnlijk niet rechtstreeks aan ideologie gekoppeld zijn.

Wat dan wel? Daar begint het denkwerk. De erfelijkheidsstudies wijzen nog altijd op een genetische component, terwijl de fysiologische route die dat plausibel moest maken wegvalt. Bedenk zelf welke schakel je zou willen zien om die kloof te dichten: een andere fysiologische maat, de weg via persoonlijkheid, of eerst een beter meetinstrument voor ideologie zelf?

Hoe kan het dat een meerderheid van de Amerikanen met linkse beleidsopvattingen zichzelf conservatief noemt?

Omdat het etiket en het stelsel van opvattingen twee verschillende dingen zijn. Zelfgerapporteerde ideologie kan een symbolische binding uitdrukken: wie zich liberal of conservatief noemt, gedraagt zich zoals de sociale-identiteitstheorie voorspelt en is gevoelig voor normatieve in plaats van informationele invloed door groepssignalen (Conover en Feldman, 1981; Malka en Lelkes, 2010). Het label werkt dan als een groepslidmaatschap en niet als een samenvatting van standpunten. De netwerkbenadering wijst dezelfde kant op: symbolische identiteiten staan centraler in het stelsel van opvattingen dan operationele overtuigingen over concreet beleid (Boutyline en Vaisey, 2017; Brandt et al., 2019).

Daar komt bij dat mensen de schaal verschillend uitleggen, wat de vergelijkbaarheid tussen personen verlaagt: links kan voor de een sociale zekerheid betekenen en voor de ander milieubescherming en multiculturaliteit (Dalton, 2010). Wie dus alleen de zelfplaatsing meet, meet vooral met wie iemand zich verwant voelt. Wil je weten wat iemand vindt, dan moet je zijn beleidsstandpunten meten, en wil je weten of die samenhangen, dan moet je dat met meerdere vragen per onderwerp doen.

Als ideologie persoonlijkheid veroorzaakt in plaats van andersom, hebben decennia onderzoek dan de verkeerde pijl getekend?

Niet de verkeerde pijl, maar wel één pijl te weinig. Bakker et al. (2021) vonden met langlopende gegevens uit Nederland, Duitsland en de Verenigde Staten dat persoonlijkheid ideologie veroorzaakt, precies zoals decennia onderzoek aannamen. Maar in dezelfde studie bleek ook het omgekeerde: naarmate mensen conservatiever worden, rapporteren ze een geslotener persoonlijkheid, en in twee experimenten werd het verband tussen eerder gemeten ideologie en zelfgerapporteerde trekken sterker nadat ideologie was geactiveerd. Dat past bij bevindingen dat egalitaire ideologie empathie vergroot (Sidanius et al., 2013) en dat ideologie de bindende morele fundamenten beïnvloedt (Hatemi et al., 2019; Smith et al., 2017).

Het lastige is wat zo'n wederkerige opvatting doet met de rest van het vakgebied. Veel onderzoek leunt op dwarsdoorsnedeonderzoek, waarin zelfgerapporteerde persoonlijkheid met zelfgerapporteerde ideologie correleert, en daarin zie je de richting niet. Bedenk zelf welk onderzoeksontwerp je nodig hebt om de twee richtingen uit elkaar te trekken, en of het onderzoek naar kinderpersoonlijkheid, dat bij Block en Block (2006) wel en bij Fasching et al. (2021) geen verband vond, daarvoor de juiste weg is.

Zit ideologie in het hoofd van de kiezer, of vooral in dat van de onderzoeker die haar meet?

Nog geen antwoord: een vraag om zelf over na te denken.

Carothers & Hartnett (2024): Misverstanden over democratische achteruitgang

Als de economie in de meeste van die landen vooruitging, waar kwam die boze stemming dan vandaan?

De boosheid was er wel degelijk, maar zij ging lang niet altijd over koopkracht. In de meeste kantelverkiezingen speelde een gevoel van grief mee, van gekrenkt zijn, alleen ging dat over heel verschillende dingen: corruptie in Brazilië, India en Mexico, geweldscriminaliteit in El Salvador en op de Filipijnen, en in de Verenigde Staten vooral culturele vijandbeelden en angsten over immigranten, raciale minderheden en China. Daar komt bij dat percepties zwaarder wegen dan prestaties. Christopher Achen en Larry Bartels lieten zien dat het oordeel van kiezers over een regering maar losjes samenhangt met de objectieve feiten, en juist charismatische uitdagers kleuren dat oordeel behendig in: Duterte maakte van een bescheiden drugsprobleem een landelijke crisis.

Let daarnaast op de toevalligheden die niets met stemming te maken hebben. Ortega won in 2006 de eerste ronde met 38 procent doordat de oppositie haar stemmen deelde, en in Polen hielpen gerichte beloftes over uitkeringen en een vaag verlangen naar verandering. Voor het tentamen is de nette formulering: de uitslagen kwamen voort uit een dichte mengeling van sociale, culturele, politieke en economische factoren, en de sociaaleconomische tak is er daarvan één, niet de belangrijkste.

Duterte, Trump en Bolsonaro zeiden gewoon hardop wat ze van plan waren. Is "kiezers wisten het niet" dan geen mooipraterij achteraf?

Het is een terechte prik, en het antwoord zit in de verhouding drie tegen twaalf. Die drie beloofden inderdaad stelselmatige antidemocratische maatregelen: het Davao-model met buitengerechtelijke executies, het opsluiten van de tegenstander en het respecteren van de uitslag alleen bij winst, en het verdedigen van de militaire dictatuur. In de negen andere gevallen lag het anders. Erdoğan hief in zijn eerste termijn beperkingen op uitzendingen in het Koerdisch op, de Awami-liga was in 2008 de meer prodemocratische keuze naast een rivaal die per decreet had geregeerd, en Saied was de man die had meegeschreven aan de grondwet.

Maar ook bij die drie geldt een nuance die je makkelijk overslaat: hun dreigementen waren onderdeel van veel bredere programma's, en geen van hen zei het hele democratische stelsel te willen ondermijnen. De vraag die je zelf moet beantwoorden is waar jij de grens legt. Is een kandidaat die één instelling bedreigt al een antidemocratische keuze, of pas iemand die de democratie als geheel afzweert, en welke van die twee maatstaven zou een kiezer vooraf kunnen gebruiken?

Als je populariteitscijfers niet mag geloven zodra er mediacontrole is, hoe weet je dan ooit wat kiezers willen?

Het probleem is echt. Bijna alle twaalf leiders oefenen aanzienlijke mediacontrole uit, betalen campagnes met staatsmiddelen, kopen bedrijven in en treiteren tegenstanders met belastingcontroles. Hoge steun kan daar het product van zijn. De zendtijdverhouding van 32 uur tegen 32 minuten bij de Turkse verkiezingen van 2023 maakt dat pijnlijk zichtbaar.

Toch is de conclusie niet dat je niets kunt weten. Twee dingen helpen. Ten eerste geven deze leiders hun aanhang aantoonbaar wat zij wil, van hard anticriminaliteitsbeleid tot beleid voor de armen, en dat spoort met de bevinding van Graham en Svolik dat kiezers zich in een gepolariseerde omgeving niet snel keren tegen politici met wier beleid zij het eens zijn. Ten tweede laten de gevallen waarin de machthebber wél verloor zien dat de instemming grenzen kent: in de Verenigde Staten, Brazilië en Polen sloeg antidemocratisch optreden aan de rand van de aanhang wél stuk en mobiliseerde het tegenstanders, met in Polen een machtswisseling in 2023 als resultaat. Populariteit is dus een aanwijzing en geen bewijs, en je moet altijd vragen onder welke voorwaarden zij tot stand kwam.

Betekent "democratieën eroderen van bovenaf" dat kiezers niets valt te verwijten?

Zo sterk is de claim niet bedoeld. Hij legt de hoofdschuld bij politici en partijen die antidemocratisch handelden en bij zwakke institutionele vangrails, en waarschuwt dat je slechte prestaties en burgerwoede niet als belangrijkste motor moet zien. Kiezers stemden in de meeste gevallen voor ingrijpende verandering, en sommigen kozen daarbij aantoonbaar een democratisch riskante weg: Ortega had een autoritair bewind geleid, Bukele had als burgemeester kranten laten aanvallen, en drie winnaars beloofden hun antidemocratische maatregelen gewoon hardop.

Tegelijk wordt de aanhang ook zelf bewerkt, want velen worden geslagen, omgekocht of gemanipuleerd tot berusting, en dat maakt "verwijten" ingewikkeld. Denk zelf door wat je dan van een kiezer mag verwachten: is het redelijk om iemand verantwoordelijk te houden voor gevolgen die pas ná de verkiezing zichtbaar werden, en verandert jouw antwoord als de kandidaat al eerder antidemocratisch had gehandeld?

Als de remedie het versterken van rechtbanken, kiesraden en onafhankelijke media is, wat houdt een leider dan tegen die precies die steun als buitenlandse inmenging wegzet?

Nog geen antwoord: een vraag om zelf over na te denken.

Cox (1981): Social forces, states and world orders

Als elke theorie een standpunt heeft, is Cox' eigen verhaal dan ook maar een mening?

Cox ziet die tegenwerping aankomen en beantwoordt haar in twee stappen. De eerste: verfijnde theorie is nooit alleen de uitdrukking van een perspectief. Hoe verfijnder zij is, hoe meer zij op haar eigen standpunt reflecteert en het overstijgt, al blijft dat beginperspectief er altijd in zitten. Hij wil het standpunt dus niet wegpoetsen, hij wil het zichtbaar maken.

De tweede stap zit in zijn premissen voor kritische theorie. Die theorie is zich bewust van haar eigen betrekkelijkheid. Juist daardoor krijgt zij een breder tijdsperspectief en wordt zij mínder betrekkelijk dan probleemoplossende theorie, die haar eigen kader niet eens als kader herkent. Zij weet bovendien dat het theoretiseren nooit af kan zijn in een gesloten systeem, maar telkens opnieuw moet beginnen. Voor het tentamen is de nette formulering: het verwijt raakt hem niet, want de claim is niet dat kritische theorie geen standpunt heeft, maar dat zij haar standpunt kent en daarom kan verantwoorden. Een theorie die zichzelf als tijdloos presenteert, verdient juist het onderzoek naar haar verborgen standpunt.

Cox doet nogal neerbuigend over probleemoplossende theorie. Is die dan niet gewoon nuttig?

Hij is minder streng dan hij lijkt, en dat is precies de nuance die op een tentamen punten oplevert. Cox erkent de kracht van de aanpak met zoveel woorden: zij grenst een probleemgebied af en brengt het terug tot een beperkt aantal variabelen die je nauwkeurig kunt onderzoeken. Daar haalt zij een precisie uit die kritische theorie niet heeft. Over het neorealisme zegt Cox uitdrukkelijk dat de kritiek het praktische nut binnen zijn ideologische grenzen niet wegneemt.

Twee dingen bestrijdt hij wel. Het eerste is de aanname van vastheid: de sociale en politieke orde ligt op de lange termijn niet vast, dus de grotere precisie rust op een onjuiste vooronderstelling. Het tweede is de claim waardevrij te zijn. Methodisch ís die theorie waardevrij, want zij behandelt haar variabelen als objecten, maar waardegebonden doordat zij de heersende orde impliciet als eigen kader aanvaardt, en haar strekking is conservatief: zij smeert de werking van het geheel. Kritische theorie verwerpt haar dus niet, maar sluit haar in, alleen wel als herkenbare ideologie.

Kritische theorie mag alleen "haalbare" alternatieven bedenken. Wie bepaalt wat haalbaar is?

Dit is de scherpste zwakke plek in Cox' betoog, en het loont die te kennen. Cox zegt dat kritische theorie een normatieve keuze toelaat voor een andere orde, maar het bereik van die keuze beperkt tot alternatieven die haalbare omvormingen van de bestaande wereld zijn; juist dat bereik verhelderen noemt hij een hoofddoel. Haar utopisme wordt getemperd door haar begrip van historische processen, en zij verwerpt onwaarschijnlijke alternatieven net zo goed als de eeuwigheid van het bestaande.

Wat hij niet geeft, is een maatstaf. Wie oordeelt dat iets onwaarschijnlijk is, doet dat vanuit een perspectief, en dat perspectief komt volgens zijn eigen openingsclaim uit een positie in sociale en politieke tijd en ruimte. Er dreigt dus een kring: de theorie die de bestaande orde niet als vast wil aannemen, gebruikt die orde toch om te bepalen wat kan. Twee uitwegen liggen bij Cox voor je klaar: de eis om theorie op veranderende praktijk en empirisch-historisch onderzoek te bouwen, en het zoeken naar opkomende rivaliserende structuren als teken van wat mogelijk is. Bedenk zelf welke van die twee het oordeel over haalbaarheid het meeste houvast geeft.

Hegemonie betekent dat de zwakken instemmen. Hoe onderscheid je die instemming van berusting onder dreiging?

Het onderscheid zit bij Cox in de houding van de sterken, niet in de gemoedstoestand van de zwakken. In de materiële machtsverhoudingen van élke structuur zit een dwangpotentieel, want de sterken kunnen de zwakken een klap verkopen als zij dat nodig vinden. Dat dwangpotentieel onderscheidt hegemonie dus niet van overheersing; het is er altijd. Wat het verschil maakt, is of de sterken hun opdracht hegemonisch opvatten en niet louter overheersend of dictatoriaal: of zij bereid zijn concessies te doen die instemming veiligstellen, en of zij hun leiderschap in universele of algemene belangen kunnen uitdrukken in plaats van in hun eigen belangen.

Cox geeft er ook een waarneembaar kenmerk bij: in een hegemonische structuur zakt de machtsbasis weg naar de achtergrond van het bewustzijn, in een niet-hegemonische structuur staat het beheer van machtsverhoudingen steeds op de voorgrond. Dat helpt, maar het is een kenmerk van bewustzijn, en daarmee lastig vast te stellen. Vraag jezelf af waaraan je zou zien dat een machtsbasis "naar de achtergrond is gezakt": aan wat mensen zeggen, aan wat instellingen doen, of aan hoe vaak er geweld nodig is?

De driehoek van materiële vermogens, ideeën en instellingen kent geen vaste rangorde en geen vaste richting. Verklaart die dan iets, of past hij achteraf overal op?

Nog geen antwoord: een vraag om zelf over na te denken.

Cramer Walsh (2012): Rural consciousness en de kracht van perspectief

Als de cijfers laten zien dat het platteland per inwoner niet minder geld krijgt, hebben die plattelanders dan gewoon ongelijk?

Op sommige punten wel, op andere niet, en Cramer Walsh verzwijgt dat ook niet. In totaal krijgen plattelandsprovincies minder publiek geld, maar per inwoner krijgen ze niet minder federaal geld en zelfs meer geld van de staat. Tegelijk betalen plattelanders per hoofd meer lokale en staatsbelasting, en ligt het gemiddelde inkomen in de stad hoger.

Voor haar argument is dat niet de hamvraag. Ze onderzoekt niet of de klacht klopt, maar hoe het perspectief werkt waarin die klacht vanzelfsprekend is. Dat is de interpretatieve houding: pas als je begrijpt hoe mensen de wereld zien, kun je verklaren waarom ze hun opvattingen hebben. Op het tentamen scoor je met precies dit onderscheid: de waarneming is deels onjuist, maar politiek werkzaam, want ze stuurt hoe mensen de overheid beoordelen.

Is rural consciousness niet gewoon racisme in een nette verpakking?

Cramer Walsh neemt die vraag serieus. Ze erkent dat raciale wrok een groot deel van de afkeer van de stad kan zijn: Wisconsin is sterk gesegregeerd, en wie over "die mensen in Milwaukee" praat, bedoelt vaak minderheden. Toch noemt ze het een grove vereenvoudiging om het daarbij te laten. De klachten over luiheid in de stad gingen bijna altijd over blanke ambtenaren en docenten van de universiteit.

Ze noemt drie redenen waarom het afdoen als racisme ons begrip van publieke opinie schaadt. Je neemt dan stilzwijgend aan dat de stad minder racistisch is, terwijl steden sterk gesegregeerd zijn. Je ziet de houding tegenover de overheid in dit bewustzijn over het hoofd. En je ontloopt juist de complexiteit van het racisme dat wél in de gesprekken opdook. Haar punt is dus niet dat ras geen rol speelt, maar dat ras niet alles verklaart.

Ze zat als stedeling van de universiteit aan tafel. Heeft ze het plattelandsgevoel niet zelf opgeroepen?

Cramer Walsh geeft toe dat haar aanwezigheid de gesprekken veranderde. Er werd minder gevloekt en meer over politiek gepraat, en als stedeling van buiten maakte ze de plaatsidentiteit extra zichtbaar. Ze draait het argument vervolgens om: omdat ze wil weten hoe mensen plaats gebruiken en niet óf plaats ertoe doet, hielp die zichtbaarheid haar eerder.

Ze geeft ook drie tegenargumenten. Het bewustzijn bevatte uitgewerkte ideeën over macht, waarden en middelen die niet in één ochtend konden ontstaan. Mensen gebruikten het al voordat zij kwam. En als ze er direct naar vroeg, waren ze verbaasd dat ze het überhaupt vroeg. Overtuigt dat jou? Bedenk wat je als onderzoeker zou moeten doen om uit te sluiten dat een stedelijke onderzoeker de plaatsidentiteit versterkt, en of dat binnen haar methode van meeluisteren eigenlijk kan.

Wat heeft een studie over koffiegroepen in Wisconsin te zeggen over kiezers elders, bijvoorbeeld in Nederland?

Cramer Walsh claimt geen representativiteit. Ze koos Wisconsin om de economische verschillen tussen gemeenschappen, en haar deelnemers waren vooral oudere blanke mannen en lokale opinieleiders. Haar studie is volgens eigen zeggen geen studie van Wisconsin, maar een studie van politiek begrip die in Wisconsin is uitgevoerd.

Wat ze wel meegeeft is een manier van kijken: een identiteit van plaats en klasse kan samen met een gevoel van achterstelling een lens worden waardoor een kleine overheid logisch lijkt. Ze stelt zelf de vraag of dit bewustzijn ook in andere staten voorkomt. Probeer het eens: welke tegenstelling tussen centrum en regio ken jij, en zou je daar dezelfde drie elementen verwachten, macht, waarden en middelen, of juist andere?

Als mensen politiek vooral via hun identiteit begrijpen, wat betekent dat dan voor het idee van de rationele kiezer die op zijn belang stemt?

Nog geen antwoord: een vraag om zelf over na te denken.

Huntington (1993): Botsen beschavingen?

Zegt Huntington nu dat beschavingen onvermijdelijk oorlog met elkaar voeren?

Nee, en dat onderscheid levert op een tentamen punten op. Huntington schrijft zelf dat verschillen niet automatisch tot conflict leiden, en conflict niet automatisch tot geweld. Wel stelt hij dat verschillen tussen beschavingen door de eeuwen de langste en heftigste conflicten hebben opgeleverd, en dat ze na de Koude Oorlog de belangrijkste bron van conflict worden.

Aan het slot perkt hij zijn betoog verder in. Hij beweert niet dat beschavingen alle andere identiteiten vervangen, niet dat natiestaten verdwijnen en niet dat groepen binnen één beschaving vreedzaam blijven. Hij noemt zijn hypothesen beschrijvend en zegt dat hij conflict niet wenselijk vindt. Zijn advies voor de lange termijn is zelfs dat het Westen andere beschavingen beter leert begrijpen en ermee leert samenleven. De nette formulering is dus: Huntington voorspelt dat conflict vaker langs de lijnen van beschaving zal lopen, niet dat oorlog vaststaat.

Hoe kan religie belangrijker worden als de wereld juist moderner wordt?

Dat lijkt tegenstrijdig, maar in Huntingtons redenering volgt het er juist uit. Economische modernisering en sociale verandering maken mensen los van hun oude, lokale identiteiten, en ze verzwakken de natiestaat als bron van identiteit. Er ontstaat een gat, en religie vult dat op. Vaak gebeurt dat via bewegingen die fundamentalistisch worden genoemd, en die vindt hij in alle grote religies, niet in één.

Opvallend is wie er actief in zijn: volgens Huntington meestal jonge, hoogopgeleide mensen uit de middenklasse, zoals technici, professionals en zakenmensen. Hij haalt Weigel aan, die spreekt van een "unsecularization of the world", en Kepel, met "la revanche de Dieu". Modernisering en religieuze heropleving gaan in dit beeld dus samen op, en daar zit ook zijn punt dat landen kunnen moderniseren zonder te verwesteren.

Hoe weet je eigenlijk bij welke beschaving een land hoort?

Huntington geeft twee soorten kenmerken. Objectief zijn dat taal, geschiedenis, religie, gewoonten en instellingen; subjectief is de manier waarop mensen zichzelf indelen. Hij erkent dat beschavingen overlappen, subbeschavingen kennen en in de loop van de tijd veranderen, en dat de grenzen zelden scherp zijn. Toch noemt hij ze echt, en telt hij er zeven of acht.

Het lastige zit in zijn eigen voorbeelden. Bij torn countries als Turkije, Mexico en Rusland geven de objectieve en subjectieve kenmerken geen eenduidig antwoord: de elite wil de ene kant op, delen van de bevolking de andere. En zijn lijst noemt de Afrikaanse beschaving maar "mogelijk". Denk zelf na: als een land over zijn eigen beschaving kan twijfelen, hoe vast zijn de breuklijnen dan waarlangs Huntington de conflicten van de toekomst verwacht?

Is "the West versus the rest" een beschrijving van de wereld, of vooral van hoe niet-westerlingen die wereld zien?

Huntington doet allebei, en het loont om die twee uit elkaar te houden. Eerst beschrijft hij de feitelijke positie van het Westen: een uitzonderlijk machtshoogtepunt, een leidende rol in de Veiligheidsraad en het IMF, en besluiten die als wil van de "world community" worden gepresenteerd terwijl ze westerse belangen dienen. Daarna zegt hij dat niet-westerlingen de nieuwe wereld zo zien, en dat er in hun beeld een flinke kern van waarheid zit.

Uit die situatie leidt hij twee bronnen van conflict af: verschillen in macht en de strijd erom, en verschillen in waarden. Vraag je af welke van de twee zwaarder weegt in zijn betoog. Als het vooral om macht gaat, waarom noemt hij het dan een botsing van beschavingen en niet gewoon een machtsstrijd?

Huntington verwachtte weinig geweld tussen Rusland en Oekraïne, omdat ze bij dezelfde beschaving horen. Hoe toets je zo'n voorspelling, en wat zou het voor zijn theorie betekenen als die niet uitkomt?

Nog geen antwoord: een vraag om zelf over na te denken.

Rooduijn et al. (2021): Slaat wij-zij-denken over van populisme naar nativisme?

Als populistische stemmers toch al negatiever over immigratie zijn, wat voegt zo'n experiment dan nog toe?

Dat verschil in gemiddelden is precies wat het experiment níet wil meten. In experiment 2 waren populistische stemmers inderdaad gemiddeld negatiever over immigratie, en nativistische stemmers gemiddeld populistischer. Maar dat zegt alleen dat de houdingen samengaan. Het zegt niet dat de ene houding de andere veroorzaakt, en ook niet dat een boodschap iets verandert.

Het experiment vergelijkt daarom mensen uit dezelfde groep met elkaar: populistische stemmers die de populistische tekst lazen tegenover populistische stemmers die de neutrale tekst lazen. Omdat het toeval bepaalt wie welke tekst krijgt, kun je een verschil tussen die twee aan de boodschap toeschrijven. Zo laat experiment 1 zien dat een boodschap kan doorwerken, en experiment 2 dat dat niet altijd gebeurt. Voor het tentamen: haal samenhang (het gemiddelde van een groep) en effect (het verschil tussen condities binnen een groep) nooit door elkaar.

Waarom liet het populistische bericht de niet-populistische stemmers volledig koud?

Dat was precies de verwachting, en het komt uit mediaonderzoek. Valkenburg en Peter (2013) laten zien dat mensen verschillend gevoelig zijn voor dezelfde boodschap: je predisposities en je identiteit bepalen wat aanslaat. Sniderman et al. (2004) noemen het een galvaniserend effect: een boodschap werkt het sterkst bij wie het er al mee eens is. Kinder en Kam (2010) zeggen dat een predispositie pas wordt aangezet als ze resoneert met wat er in politiek en media speelt.

Wie niets met populisme heeft, legt het bericht dus naast zich neer, of keert zich er juist tegen, bijvoorbeeld omdat hij het met de andere politieke kant verbindt. Politieke communicatie bekeert zelden, ze versterkt vooral. Daarom zijn beide hypothesen voorwaardelijk geformuleerd: het effect hoort alleen op te treden bij stemmers op populistische of nativistische partijen. In experiment 1 klopte dat ook: bij niet-populistische stemmers was er geen verschil tussen de condities.

Is het niet vreemd dat de boodschap in beide experimenten van een deskundige kwam?

De auteurs zien dat zelf ook als een mogelijke zwakte. Ze kozen een politiek analist om het bericht geloofwaardig te maken, en zijn professionele gezag gaf de populistische taal legitimiteit. Maar populisten wantrouwen deskundigheid, en nativisten zien intellectuelen vaak als tegenstanders (Merkley, 2020). Een expert met een gematigde toon valt bovendien in het niet naast de fellere taal die deze kiezers dagelijks horen. Dat kan het effect hebben gedempt.

Er zit dus een spanning in het ontwerp: wat de boodschap geloofwaardig maakt voor het ene publiek, maakt haar ongeloofwaardig voor het publiek waar het effect verwacht wordt. Toch vond experiment 1 een effect, met dezelfde soort afzender. Denk zelf na: wie zou je als afzender kiezen om het effect eerlijk te meten, en wat verlies je dan aan controle over de rest van de boodschap?

Bewijst dit artikel nu dat populisme en nativisme uit dezelfde psychologische neiging voortkomen?

Nee, en de auteurs zeggen dat zelf ook. Hun theorie is dat beide uitingen zijn van één algemene neiging tot wij-zij-denken, en dat een boodschap in het ene domein daarom het andere kan activeren. Experiment 1 past daarbij. Maar de nulresultaten van 2019 laten ruimte voor een andere verklaring. Misschien hangen populisme en nativisme alleen samen doordat radicale partijen en media ze steeds samen brengen. Bonikowski en Zhang (2020) vonden in de VS dat rechts populisme nativisme wel versterkt en links populisme niet.

Als dat klopt, is de samenhang een gevolg van het discours en niet van de psychologie. De auteurs stellen voor dit te toetsen met nieuwe surveyvragen die dieper liggende houdingen meten. Vraag jezelf af: welke uitkomst van experiment 1 zou je verwachten als alleen het discours de verklaring is, gezien het feit dat ook SP-stemmers tot de populistische stemmers werden gerekend?

Als Nederlanders in 2019 al gewend waren aan populistische taal, kun je dit soort effecten dan ooit nog betrouwbaar meten in een land als Nederland?

Nog geen antwoord: een vraag om zelf over na te denken.

Said (2001): De botsing van onwetendheid

Ontkent Said dat religie iets te maken had met de aanslagen van 11 september?

Nee, en dat onderscheid is belangrijk. Said noemt de aanslagen gruwelijk en crimineel, en hij spreekt van het kapen van grote ideeën door een kleine groep fanatici. De ideeën spelen dus wel een rol, alleen niet als uitdrukking van een hele beschaving. Via Eqbal Ahmad gaat hij er zelfs uitgebreid op in: absolutisten brengen de islam terug tot een strafwetboek en versmallen het rijke begrip jihad tot willekeurige oorlog tegen vermeende vijanden. Volgens Ahmad gaat het deze islamisten om macht, niet om de ziel.

Wat Said bestrijdt, is de sprong van die kleine groep naar "de islam". Daarom stelt hij de vergelijking met sektes als de Branch Davidians en Aum Shinrikyo voor. Die vergelijking zegt: dit is een extreme randgroep, geen vertegenwoordiger van ruim een miljard mensen. Op het tentamen scoor je als je beide kanten noemt: Said neemt de religieuze vervorming serieus, maar weigert haar tot de kern van een beschaving te maken.

Said verwijt Huntington dat hij over "de islam" spreekt als één geheel. Maar spreekt Said zelf niet net zo makkelijk over "het Westen"?

Een scherpe vraag, want Said gebruikt het woord inderdaad, bijvoorbeeld als hij zegt dat de islam nu in het midden van het Westen staat. Kijk wel hoe hij het woord gebruikt. Hij zet "West" en "Islam" vaak tussen aanhalingstekens, en zijn punt is steeds dat de grens tussen beide niet te trekken valt: de man in pak en stropdas, de daders die westerse techniek beheersten, het Westen dat putte uit de wetenschap van de islam.

Je zou dus kunnen zeggen dat Said het label gebruikt om het van binnenuit af te breken. Toch blijft er iets wringen: wie zegt dat de islam "in" het Westen staat, veronderstelt nog steeds dat er een Westen is om in te staan. Bedenk zelf of een criticus van labels zonder die labels kan schrijven, en wat dat betekent voor de kracht van Saids betoog.

Wat bedoelt Said met het beeld dat we allemaal in hetzelfde water zwemmen?

Het beeld komt van Eqbal Ahmad. Die schrijft dat strijdtaal geruststellend is voor mensen die midden in een doorwaadbare plaats zijn gestrand, tussen het diepe water van traditie en dat van moderniteit. Said pakt dat beeld op en draait het een slag verder: het zijn niet alleen sommige moslims die daar staan, maar westerlingen, moslims en anderen allemaal.

Het water hoort volgens hem bij de oceaan van de geschiedenis, en die kun je niet opdelen met barrières. Dat is de kern van zijn hele essay in één beeld. Iedereen worstelt met de spanning tussen traditie en moderniteit, dus die spanning is geen scheidslijn tussen twee beschavingen. Een botsing veronderstelt twee oevers. Said zegt dat er alleen water is.

Said noemt Huntington een "onhandige schrijver" en een "onelegante denker". Moet je daar op het tentamen iets mee?

Nauwelijks. Het essay verscheen in The Nation, een opinieblad, drie weken na de aanslagen, en de toon is fel. Said schrijft ook dat het boek uit 1996 Huntington alleen maar verwarde. Dat zijn oordelen over de persoon en de stijl, geen argumenten.

Op het tentamen haal je de argumenten eruit en laat je de toon liggen. Die argumenten zijn: beschavingen zijn niet homogeen, ze zijn niet gesloten, niemand spreekt voor het geheel, en 11 september bewijst de these niet. Wie in een antwoord alleen schrijft dat Said Huntington een slechte denker vond, heeft nog niets uitgelegd. Wie laat zien waarom Said het kader afwijst, wel.

Said wil denken in machtige en machteloze gemeenschappen, rede tegenover onwetendheid en universele beginselen van recht en onrecht. Is dat niet net zo abstract als "beschavingen"?

Nog geen antwoord: een vraag om zelf over na te denken.

Snyder (2004): Eén wereld, drie rivaliserende theorieën

Is constructivisme niet gewoon liberalisme met een ander etiket? Beide geloven toch in vooruitgang en mensenrechten?

Snyder geeft toe dat de twee elkaar overlappen, vooral in liberale samenlevingen, maar houdt ze uit elkaar. Het verschil zit in wat de motor is. Een liberaal kijkt naar democratie, handel en instellingen: gekozen leiders leggen verantwoording af, en rechtsstaat en openheid maken samenwerking makkelijker. Een constructivist kijkt naar ideeën. Macht krijg je door anderen te overtuigen, en wat een staat als zijn belang ziet, hangt af van de ideeën die hij heeft.

Constructivisten claimen daarom dat hun theorie dieper gaat: ze verklaart waar de krachten vandaan komen die in het realisme en liberalisme het werk doen. En het constructivisme is niet per se vooruitstrevend. Barnett gebruikt het om Arabisch nationalisme te verklaren, Philpott om de uitdaging van de politieke islam te begrijpen. De theorie zegt dat ideeën de wereld vormen, niet dat het goede ideeën zijn.

In het schema bij het artikel staat Osama bin Laden als "doener" bij de idealisten, naast Gandhi. Is dat niet vreemd?

Alleen als je idealisme leest als "de goede kant". Snyder bedoelt een theorie over hoe de wereld werkt: internationale politiek wordt gevormd door overtuigende ideeën, gedeelde waarden en identiteiten, en door transnationale netwerken. Philpott wijst erop dat zowel liberale mensenrechtenbewegingen als radicaal-islamitische bewegingen transnationaal georganiseerd zijn en door principes gedreven worden, en dat ze allebei de voorrang van staten uitdagen.

Voor het tentamen is dat een nuttig onderscheid: de drie theorieën zijn geen morele stellingnames, maar filters. Een constructivist kan een terreurnetwerk net zo goed analyseren als een mensenrechtencampagne, want in beide gevallen draait het om ideeën die mensen over grenzen heen mobiliseren. Snyder zegt ook zelf dat constructivisten vooral progressieve zaken bestuderen, maar dat de theorie net zo goed illiberale krachten verklaart.

Is Snyder tegen het verspreiden van democratie? Hij noemt de democratische vrede toch bijna een ijzeren wet?

Nee, zijn punt is fijner. Hij neemt de democratische vrede serieus: het is een van de best onderzochte stellingen van het vak en ze houdt redelijk stand. Zijn kritiek richt zich op de regering-Bush, die alleen het democratie-element uit het liberalisme haalde en de bijwerkingen negeerde. Democratieën zijn volgens Doyle geneigd tot kruistochten tegen autoritaire regimes. Landen in de overgang, met zwakke instellingen, raken vaker in oorlog, omdat nationalisten het debat kunnen kapen. En eisen tot zelfbeschikking kunnen tot geweld tegen democratieën leiden.

Daarbij miste Bush de andere helft van het liberalisme: de internationale instellingen. De theorie zegt veel over wat er gebeurt als landen democratisch zijn, en weinig over hoe je ze vreedzaam zover krijgt. Snyders boodschap is dus niet "geen democratie", maar "denk niet dat democratie verspreiden makkelijk is".

Realisten zeggen dat hun theorie niet amoreel is en zelfs tot een vreedzamere wereld kan leiden. Hoe kan een theorie over machtsstrijd nu vrede opleveren?

Snyder geeft twee aanknopingspunten. Het eerste: staten die helder kijken, kunnen de oorzaken van oorlog verkleinen door de dreiging die ze voor elkaar vormen te beperken. Het tweede: het realisme waarschuwt dat staten die zich overschatten daarvoor boeten. In die lijn tekenden vooraanstaande realisten vóór de oorlog in Irak een open brief tegen wat zij Amerikaanse hoogmoed vonden, en pleitte de Coalition for a Realistic Foreign Policy, waar Snyder zelf in zat, voor een bescheidener en voorzichtiger beleid.

Denk ook aan de oorsprong: het realisme ontstond als tegengif tegen het geloof dat recht en instellingen alleen de vrede konden bewaren, een geloof dat volgens die generatie de weg naar oorlog had vrijgemaakt. Vraag jezelf af: is een wereld waarin iedereen nuchter macht afweegt vreedzaam omdat niemand overmoedig wordt, of alleen zolang niemand veel sterker is dan de rest? En wat betekent het voor je antwoord dat er tegen de VS geen tegenwicht ontstond?

Huntington en Said twisten over cultuur en identiteit na de Koude Oorlog. Bij welke van Snyders drie theorieën hoort Huntingtons botsing van beschavingen eigenlijk thuis?

Nog geen antwoord: een vraag om zelf over na te denken.

Samenvatting Politiek en samenleving · Oefenen met Politiek en samenleving · Bekijk prijzen