De vragen en discussies die bij Politiek en samenleving horen: verbanden, tegenstellingen en denkfouten uit de stof. 69 vragen, waarvan 58 met een antwoord dat vrij te lezen is.
Macht is het vermogen om te bereiken wat je voor ogen hebt. Autoriteit is het erkende recht om te regeren. Wie autoriteit heeft, krijgt macht er gratis bij: volgens Weber voeren de geregeerden een bevel uit alsof ze het zelf hadden gewild. Dat maakt autoriteit efficiënter dan brute macht. Een junta die na een staatsgreep aan de macht komt, zoals in Niger in 2023, heeft wel macht maar geen autoriteit. Politiek is het proces, macht het vermogen, autoriteit het recht.
Een typologie maakt uitspraken over een hele groep landen mogelijk, maar Lührmann en anderen betwisten juist de methode en de grenzen ervan. De Verenigde Staten en Brazilië belanden in hetzelfde hokje terwijl ze op heel andere punten haperen. Vraag jezelf af welke nuance een casestudy hier zou moeten terugbrengen.
Omdat erkenning en controle twee verschillende dingen zijn. Een quasi-staat als Somalië is erkend onder internationaal recht en heeft een VN-zetel, maar beheerst zijn grondgebied nauwelijks: legitiem en ineffectief. Een de facto-staat als Somaliland is precies andersom, want die bestuurt wel maar wordt door niemand erkend. Soevereiniteit betekent dat geen macht van buiten of van binnen boven je staat, legitimiteit dat burgers en andere staten je gezag aanvaarden.
Het recht op zelfbeschikking van de Koerden en de Lebensraum-politiek van de nazi's leunen op dezelfde gedachte: deze grond hoort bij dit volk. Wie het tweede afwijst, moet uitleggen waarop het eerste dan rust. Waar leg jij die grens, en met welk criterium?
Omdat er niets te zien is. Bij een waarneembaar conflict ligt de contrafeitelijke uitspraak klaar: A wint, dus weet je wat B anders had gedaan. Zonder conflict moet de onderzoeker zelf twee dingen onderbouwen: dat B anders had gewild of gehandeld, en welk mechanisme dat verhinderde. Crenson doet dat met U.S. Steel in Gary. Polsby en Wolfinger verwarren volgens Lukes een methodologische moeilijkheid met een inhoudelijke bewering: moeilijk aantoonbaar is niet afwezig.
Lukes wil hypothesen die op waarnemingen rusten en te weerleggen zijn. Toch waarschuwt Polsby dat je zo iedereen die het met je oneens is vals bewustzijn kunt verwijten. Bij Crenson lijkt het onschuldig, want niemand wil vergiftigd worden. Waar houdt dat op?
In een illiberale democratie worden regeringen democratisch gekozen, maar werken zij daarna aan de verzwakking van burgerrechten en burgerlijke vrijheden. Zakaria zag verkiezingen en rechten van elkaar losraken: gekozen winnaars omzeilen parlementen en beperken de pers, zoals in Polen. Beetham stelt daartegenover dat er zonder vrijheid geen democratie bestaat. Levitsky en Way mijden het woord daarom en spreken van competitive authoritarianism.
Przeworski beschrijft consolidatie bijna als een eindtoestand, maar sinds 2006 lopen democratieën terug zonder dat het spel formeel verandert. India is geconsolideerd en tegelijk gebrekkig. Misschien meet consolidatie alleen instituties en geen gewoonten. Welke voorwaarde van Diamond ontbreekt er dan?
Svolik laat zien dat een dictator twee conflicten tegelijk voert: met de massa die hij regeert en met de elite met wie hij de macht deelt. Tussen 1946 en 2008 verloren ruim 300 dictators hun ambt op onconstitutionele wijze, en nauwelijks 20 procent van hen werd door een volksopstand verdreven. Meer dan twee derde werd afgezet door mensen binnen het regime zelf. Daarom draait patronage niet om het volk maar om de eigen kring.
Er zijn geen regels voor opvolging en geen onafhankelijke autoriteit die afspraken afdwingt, dus moet hij rivalen blijven neutraliseren. Treisman telde dat autoritair bestuur sinds 1800 in twee derde van de gevallen per ongeluk eindigde. Komt die kwetsbaarheid uit zijn macht voort of uit het ontbreken van instituties?
Kijk naar wat je wilt verklaren. Een most similar system design vergelijkt landen die sterk op elkaar lijken en verklaart daarmee een verschil: alles wat ze delen valt af als verklaring. Een most different system design vergelijkt landen die in veel opzichten verschillen en verklaart daarmee een overeenkomst, zoals twaalf landen die naar universele zorg streven. Een verschil verklaar je dus met gelijkenis, een overeenkomst met verschil.
Tilly waarschuwt dat je je steekproef kunstmatig opblaast zodra je staten als onafhankelijk behandelt terwijl dezelfde invloeden van buiten op ze inwerken. Je telt dan meer zelfstandige gevallen dan je hebt en overschat de significantie. Bij hoeveel gedeelde invloed zijn Denemarken en Zweden nog twee casussen?
Concept stretching is een begrip naar meer gevallen uitbreiden zonder er eigenschappen bij te laten vallen. Op de ladder van abstractie ruilen extensie en intensie namelijk tegen elkaar: wie meer gevallen wil dekken, moet eigenschappen inleveren. Bewegen mag omhoog en omlaag, nooit opzij. Rek je een begrip toch op, dan draagt het label meer bagage dan de gevallen kunnen dragen en zegt het uiteindelijk bijna niets meer.
De ruil van Sartori verdwijnt: elke eigenschap erbij vergroot het bereik, want een enkele eigenschap is al genoeg. Dat helpt waar een gedeelde kern ontbreekt, maar een regel voor in- en uitsluiting levert het niet op. Waar houdt zo'n familie dan op, en wie beslist dat?
De woordvolgorde volgt de kern van de ideologie. Nativisme is het kernkenmerk, en nativisme plus autoritarisme levert radicaal rechts op. Dat moet dus de hoofdterm zijn en populistisch de kwalificatie. Populisme past bovendien niet als trede op de ladder: zet je het onder radicaal rechts, dan zou alles daarboven ook populistisch zijn, terwijl fascisme en nationaalsocialisme juist elitair waren. De gangbare volgorde maakt populisme ten onrechte de hoofdzaak.
De minimumdefinitie komt uit een most dissimilar design, maar welke partijen daaraan meedoen kiest hij vooraf. De criteria komen dan uit de selectie en de selectie uit de criteria. Wat zou een minimumdefinitie moeten kunnen om die kring open te breken?
Ze horen bij twee stelsels. Een supreme court past bij een gedecentraliseerd stelsel: gewone rechtbanken toetsen daar ook, en het hof oordeelt concreet, binnen een echte zaak waarin partijen legal standing hebben. Een constitutioneel hof past bij een gecentraliseerd stelsel: alleen dat ene hof toetst, meestal abstract en op verzoek van aangewezen instituties, vaak nog voordat een wet in werking treedt. Weigeren mag zo'n hof dat verzoek niet.
Critici noemen het een dictatuur van de doden over de levenden. Voorstanders wijzen op de breuk met het oude regime die zo'n clausule bezegelt. Ondertussen verandert een constitutie ook zonder amendement, via judicial review, nieuwe wetten en tradities. Beschermt de clausule dan wel wat jij denkt?
Dat verschil staat niet in de grondwet maar zit in het model. Duitsland kent prime ministerial government: de kanselier legt verantwoording af aan de Bondsdag en de ministers leggen verantwoording af aan de kanselier. Nederland kent ministerial government: ministers werken met weinig sturing, en de premier benoemt, ontslaat of herschikt hen niet. Hij is eerder bemiddelaar dan chef. Daartussenin staat cabinet government, waarin het kabinet als team beslist.
Evenredige vertegenwoordiging leverde daar 23 partijen op, de partijdiscipline is zwak en impeachment is een reële dreiging, dus hij regeert feitelijk in coalitie. Als leiderschap en partijverhoudingen dat bepalen, waarvoor gebruik je de indeling presidentieel, parlementair en semi-presidentieel dan nog?
Omdat het hun drie dingen oplevert. Coöptatie is de belangrijkste, want de dreiging komt vooral uit de eigen elite en een zetel bindt tegenstanders aan het regime. Daarnaast rekruteert het parlement: het werkt als kweekvijver en als test of iemand betrouwbaar is. En het maakt concessies mogelijk zonder dat het lijkt of de leider voor volksprotest zwicht, wat Teets consultatief autoritarisme noemt. Nominaal democratische instituties dienen zo autoritaire doelen.
Descriptieve representatie vraagt om gelijkenis in gender, klasse of etniciteit, collectieve representatie om het belang van het hele land. Quota raken alleen het eerste, en elk lid hangt intussen aan de stemmen uit zijn eigen district. Welke van de twee zou jij opgeven?
Nog geen antwoord: een vraag om zelf over na te denken.
Nog geen antwoord: een vraag om zelf over na te denken.
Nee, en dat is precies het punt waar het om draait: het criterium is niet hoeveel de lagere lagen doen, maar of hun bevoegdheden grondwettelijk beschermd zijn tegen het centrum. Een eenheidsstaat kan zwaar gedecentraliseerd zijn via deconcentratie, delegatie en devolutie, en blijft toch een eenheidsstaat zolang het centrum die taken in principe kan terugnemen.
De toets is dus een gedachte-experiment: kan de nationale wetgever de bevoegdheden van de lagere laag met een gewone wet veranderen of het orgaan zelfs opheffen? In het Verenigd Koninkrijk kan dat, en daar zijn de regionale parlementen van Noord-Ierland, Schotland en Wales niettemin flink machtig; de Noord-Ierse assemblee werd zelfs geschorst. In een federatie zou dat normaal niet kunnen. Over Nederland is hier alleen bekend dat het lokale bestuur een council system is, dus leg die vraag zelf langs het criterium in plaats van langs je gevoel over hoeveel de gemeente regelt.
Omdat hetzelfde kenmerk beide kanten op werkt. Federalisme brengt bestuur dichter bij de mensen en is een praktische manier om een land zo groot als Brazilië te besturen, maar het maakt nationaal beleid moeilijker uitvoerbaar. Toen de steun van het centrum ontbrak, gingen gouverneurs zelf vaccins bij fabrikanten kopen en kondigden burgemeesters van onder meer São Paulo en Rio de Janeiro hun eigen lockdown af.
In een eenheidsstaat als Groot-Brittannië of Ierland ligt de soevereiniteit bij het centrum, en dus kon daar één landelijke maatregel worden opgelegd. Let wel op dat het niet alleen om structuur gaat: Bolsonaro relativeerde de ernst van de pandemie zelf en kwam daardoor in conflict met de gouverneurs en burgemeesters. De structuur bepaalde welke ruimte dat conflict kreeg, niet dat het ontstond.
De verklaring zit in de vorm van de scheidslijnen. België kent in de kern twee grote taalgemeenschappen, en dan is de winst van de een bijna automatisch het verlies van de ander. Zwitserland heeft 26 kantons, vier talen en twee religies, waardoor de scheidslijnen elkaar doorkruisen in plaats van samenvallen met de bestuurlijke grenzen. Federaties zijn effectiever als ze verdeeldheid doorsnijden dan wanneer ze die vastleggen.
Maar daarmee is het niet af. Nigeria deed juist het omgekeerde en deelde zijn regio's steeds verder op, tot 36 staten, precies om staten rond één etnische groep te voorkomen, en toch blijven regionalisme en etnische en religieuze verdeeldheid daar de eenheid ondermijnen. Dus wat is nu de werkzame factor: het aantal groepen, de manier waarop de grenzen lopen, of iets anders? En als het aantal groepen telt: is etnisch federalisme dan een verkeerd instrument voor een land met precies twee grote gemeenschappen, of het beste dat er is? Zoek zelf uit wat je van die twee gevallen kunt afleiden en wat niet.
Omdat ze uit tegengestelde richtingen in hetzelfde midden zijn beland. Zuid-Afrika is de quasi-federatie: formeel unitair, maar met negen provincies die elk een premier en kabinet hebben en die alle tien afgevaardigden naar de National Council of Provinces sturen, terwijl de traditie van centrale sturing doorloopt. Rusland is het spiegelbeeld: op papier een federatie, maar door de federale okrugs onder een presidentiële vertegenwoordiger, de gedwongen overstap van gouverneurs naar Verenigd Rusland en een benoemde Federatieraad noemde Ross (2010) het "a unitary state masquerading as a federation".
Dat maakt de vraag scherper dan hij lijkt. Als de juridische vorm zo weinig voorspelt, wat koop je er dan nog mee als analyticus? Bedenk welke waarneembare dingen je nodig hebt om een feitelijke federatie van een feitelijke eenheidsstaat te onderscheiden: wie de bevoegdheden kan wijzigen, wie de gouverneurs op hun plek zet, wie de hogere kamer vult. Kijk vervolgens of Maleisië, ook juridisch federaal maar in de praktijk gecentraliseerd, met jouw lijstje op dezelfde plek uitkomt.
Nog geen antwoord: een vraag om zelf over na te denken.
Denk aan drie verschillende vragen. Agenda-setting gaat over waarover je nadenkt. Nieuws is samengeperst en dus selectief: wat verslagen wordt, wordt besproken, en wat niet verslagen wordt, bestaat voor het publiek niet. Lippmann (1922) vergeleek de pers met een zoeklicht dat rusteloos beweegt en het ene voorval na het andere uit het duister haalt. Framing gaat over hoe die gebeurtenis wordt verteld: door de oorsprong, de oplossing en de beoordeling van een probleem te kiezen, bouwt de redactie een verhaal waarin één interpretatie voor de hand ligt. Priming gaat over wat je daarna met die maatstaf doet: de criteria uit de berichtgeving over het ene onderwerp gaan gelden voor een ander onderwerp.
Een praktische test. Verslaan twee kranten dezelfde gebeurtenis, maar met een verschillend verhaal erom? Dan is het framing. Verslaat de ene krant iets wat in de andere helemaal niet voorkomt? Dan is het agenda-setting. Verandert de manier waarop mensen over een heel ander onderwerp oordelen? Dan is het priming, zoals Solheim (2021) vond na de aanslagen van januari 2015 in Parijs, met een sterker effect op immigratiebeleidsvoorkeuren buiten Frankrijk dan binnen Frankrijk.
Het vierde mechanisme, reinforcement, valt hier buiten: dat zegt juist dat de media weinig veranderen en vooral bestaande opvattingen versterken.
Beide antwoorden zitten in de theorie, en ze horen bij verschillende periodes. In de jaren vijftig, vóór de opkomst van de televisie, was het antwoord "weerspiegelen": de reinforcement thesis of het minimal effects model (Klapper, 1960) stelde dat mensen via zelfselectie kiezen wat bij hun belangen past, dat zo uitleggen dat het bij hun mening blijft passen, en vergeten wat hen tegenspreekt. De media hadden dan weinig invloed en versterkten vooral wat er al was.
Agenda-setting, framing en priming draaien dat om: de media bepalen mede waarover nagedacht wordt, hoe een gebeurtenis wordt verteld en met welke maatstaf andere onderwerpen worden beoordeeld. Kaid e.a. (1991) vatten dat samen met drie realiteiten: de objectieve gebeurtenis, de subjectieve waarneming ervan, en de door de media geconstrueerde versie. De vraag "vormen of weerspiegelen" veronderstelt dus een keuze die de theorie niet maakt.
De reinforcement thesis is bovendien niet dood. In de gepolariseerde delen van de Amerikaanse media is hij herleefd: wie een uitgesproken conservatieve zender kijkt, was dat vaak al. Het aardige is dat het internet allebei versterkt: het maakt meer bronnen beschikbaar (meer kans op vorming) en maakt het makkelijker om alleen je eigen bronnen te kiezen (meer weerspiegeling, in de vorm van een echo chamber).
De cijfers zijn echt: de Edelman Trust Barometer 2023 onderzocht 28 landen, vond dat maar de helft van de respondenten de media vertrouwde, met 79 procent in China als hoogste en 27 procent in Zuid-Korea als laagste score, en zag het vertrouwen hoogst in hybride en autoritaire staten.
Een deel van de verklaring ligt in de rollen die de media daar spelen. In autoritaire regimes beheersen ze de nieuwsstroom, overstemmen ze dissidente stemmen, schragen ze de legitimiteit van het regime en brengen ze de oppositie in diskrediet, terwijl kritische journalisten worden lastiggevallen en de sector uit zelfbehoud zelfcensuur toepast. Waar tegenspraak niet zichtbaar is, is er ook weinig aanleiding voor twijfel. In een democratie is de watchdogrol juist conflictueus: fouten, schandalen en beleidsfiasco's komen naar buiten, populistische leiders vallen de pers aan als "fake news", en een meerderheid van de respondenten vond dat journalisten opzettelijk probeerden te misleiden. Vertrouwen meet dus niet hetzelfde als persvrijheid: de World Press Freedom Index meet of journalisten onafhankelijk van politieke, economische, juridische en sociale inmenging kunnen werken.
Maar dat lost het probleem niet op: de persvrijheid komt altijd in het gedrang zolang het vertrouwen in de media laag is. De vraag die je zelf moet beantwoorden: als laag vertrouwen de persvrijheid ondermijnt en een vrije pers laag vertrouwen produceert, wat zou dan volgens jou de weg uit die cirkel zijn?
Op papier is het verschil groot. In democratieën informeren de media, houden ze bestuurders verantwoordelijk en verbinden ze de civil society; in autoritaire regimes beheersen ze het nieuws, schragen ze het regime, beschadigen ze de oppositie en ondermijnen ze via sociale media de democratie elders. Nederland staat in de kleine groep landen waar de staat van de persvrijheid goed is, Venezuela geldt als Very Serious, en dat verschil is niet cosmetisch: daar verbiedt een wet uit 2004 nieuws dat haat zou aanwakkeren of autoriteiten zou "disrespecteren", verdwenen tientallen kranten en moesten honderden radiozenders sluiten.
Toch is de tegenstelling minder scherp dan ze lijkt. Ook democratieën leggen op hun eigen manier grenzen aan informatie op en doen moeite om de boodschap te vormen: mediaconcentratie bindt redacties aan bedrijfsbelangen en zet de netneutraliteit onder druk, populistische leiders vallen journalisten aan, en de georganiseerde desinformatiecampagnes die het Oxford Internet Institute in 81 landen vond, komen ook uit Australië, Duitsland, Zweden en de Verenigde Staten. Daar komt bij dat we over de dynamiek in autoritaire regimes juist minder weten, omdat aanhangers niet openhartig zijn en tegenstanders zwijgen of ondergronds zijn gegaan.
Dus: is het verschil er een van soort of van graad? Wat zou je over de Nederlandse mediamarkt moeten weten om vol te houden dat het slechts een gradueel verschil is, en welk bewijs zou je van gedachten laten veranderen?
Nog geen antwoord: een vraag om zelf over na te denken.
Beide, en dat is precies het probleem. Clicktivism staat in de rij van conventionele vormen: het delen van berichten en het steunen van online petities valt binnen de wet en binnen de gewone politieke kanalen, en het hoort bij digitaal activisme. De bijnaam slacktivism zegt intussen wat critici ervan denken, en in de indeling van George en Leidner (2019) is clicktivism geen werk van gladiators maar een vorm van spectating: je kijkt en klikt, je vecht niet.
Toch is toekijken niet hetzelfde als niets doen. Het internet maakt het mogelijk politieke informatie te verzamelen in een detail dat een generatie eerder onmogelijk was, en die informatie via clicktivism door te geven. Green (2010) zet daar een sterke claim op: in een tijd van spectatorship is de blik van het publiek, hun ogen eerder dan hun stem, de bron van hun macht. Wie dat serieus neemt, moet spectating als een leidende en invloedrijke vorm van participatie zien.
De vraag is dus niet of clicktivism meetelt, maar hoe ruim je de definitie wilt maken. Theocaris en van Deth (2018) rekenen ook het beïnvloeden van andere burgers mee en Peters (2018) vraagt of passief leren over politiek erbij hoort; doe je dat allemaal, dan valt participatie hoger uit dan de conventionele cijfers laten zien, maar loop je in de val van een definitie die zo ruim is dat ze niets meer uitsluit.
Dat het gebeurt, staat vast. Huber en Stanig (2009) wezen erop dat grote aantallen armere kiezers in welvarende democratieën partijen steunen die tegen precies de hogere belastingen en de herverdeling zijn waarvan zij zouden profiteren. De overwinning van Donald Trump in 2016 is het schoolvoorbeeld: hij haalde veel steun bij kiezers die zich door politieke en economische elites gemarginaliseerd voelden en die zijn beloften over immigratie en werk aantrekkelijk vonden, terwijl hij vooral vermogende bestuurders benoemde en beleid maakte dat de belastingdruk op rijken en bedrijven verlaagde.
Er liggen meerdere verklaringen klaar. Rational choice zegt dat de keuze rationeel kan zijn zodra je het doel anders definieert: bij Brexit en bij Trump bleek de stem bij nader onderzoek een rationele vorm van protest tegen de status quo. Kwestiestemmen biedt een tweede route: een kiezer die immigratie of veiligheid het belangrijkste vindt, stemt op de partij die daar het dichtst bij staat, ook als het belastingplan hem geld kost. En economisch stemmen laat zien dat het oordeel vaak retrospectief is en over de hele economie gaat, niet over de eigen portemonnee.
Wat die verklaringen niet oplossen, is de vraag wanneer je een stem nog rationeel mag noemen. Als elke uitkomst achteraf rationeel te noemen valt, verklaart de theorie niets meer. Waar zou jij de grens leggen: bij de vraag of de kiezer zijn eigen belang kende, of bij de vraag of hij bij zijn eigen doelen de beste optie koos?
Niet automatisch, en dat is contra-intuïtief. Het oudste perspectief, dat teruggaat op de Grieken, zegt van wel: meedoen aan collectieve besluitvorming is burgerplicht en tegelijk persoonlijke vorming, het verbreedt de horizon en levert politieke educatie, en wie wegblijft is een free-rider die profiteert van de inspanning van anderen. In die lezing is elke stijging winst.
Het tweede perspectief is nuchterder. Mensen zijn geen natuurlijke politieke dieren, en hogere participatie kan minder een teken van gezondheid zijn dan van onopgeloste spanningen in het stelsel. Demonstraties, protesten en zelfs een hoge opkomst kunnen betekenen dat het systeem overkookt, terwijl beperkte deelname in normale tijden juist kan betekenen dat de overheid aan de wensen van mensen tegemoetkomt, zodat zij hun tijd aan andere dingen kunnen besteden.
Wat in beide lezingen overblijft, is de eis dat de kanalen open zijn en gebruikt worden. Schudson (1998) vergeleek burgers met ouders die hun kinderen bij het zwembad in het oog houden: ze doen niets, maar ze staan klaar. Rosanvallon (2008) maakt daar een positie van door monitoring een vorm van participatie te noemen en waakzaamheid "a mode of action". Je kijkt dus beter naar de vraag of mensen kunnen ingrijpen wanneer het nodig is dan naar het opkomstcijfer alleen.
De definities helpen maar tot een bepaald punt. Vote buying is het verstrekken van goederen en voordelen aan kiezers in ruil voor hun steun bij verkiezingen, en Schaffer (2007) rekent daar uitdrukkelijk niet alleen contant geld en goederen onder, maar ook diensten; bijna elk geval waarin een volksvertegenwoordiger kan wijzen op een fabriek, school of legerbasis die hij naar zijn district haalde, past in die omschrijving. Cliëntelisme is de belofte van materiële goederen of publieke middelen in ruil voor electorale steun, en de Keniaanse kandidaat die na zijn beloften over banen en voedselzekerheid geld begon uit te delen (Kramon, 2018) valt daar zonder discussie onder.
Er is dus geen scherpe grens in de handeling zelf, maar wel een verschil in graad en in context. Patronage werkt als quid pro quo: u steunt mij, ik lever u gunsten, en de gekozene wordt dienaar van een bevoorrechte groep in plaats van van het publiek. Dat verschijnsel bestaat in democratische én autoritaire stelsels, maar het wordt in het eerste geval scherper afgekeurd en in het tweede vaker en openlijker gebruikt. Patroon-cliëntrelaties wegen daarbij het zwaarst in arme, ongelijke samenlevingen met zwakke instituties, waar ze het hoofdkanaal tussen bestuur en bestuurden zijn.
Blijft de vraag waar je in een democratie de streep zet. Is het de directheid van de ruil, het individuele karakter ervan, of het feit dat publieke middelen selectief worden ingezet? Formuleer eens een criterium dat de school in de eigen regio toestaat en het geld in de zaal uitsluit, en kijk of het ook overeind blijft bij een subsidie die precies één gemeente bereikt.
Nog geen antwoord: een vraag om zelf over na te denken.
Omdat evenredigheid niet het enige is wat een kiesstelsel moet leveren. Single-member plurality heeft juist een van de beste staten van dienst in het produceren van stabiele meerderheidsregeringen, en het levert per district één herkenbare afgevaardigde op. Die twee dingen raak je kwijt als je overstapt: PR levert bijna nooit een partij met een zetelmeerderheid op, dus de gewone uitkomst is een coalitie, en die is potentieel instabiel.
Daar komt de versplintering bij. Vrijwel elk PR-stelsel bouwt daarom een drempel in, meestal 3 tot 5 procent en in Turkije 10 procent, en Israël laat zien wat er gebeurt als die te laag staat: met 2 procent kwamen er in 2013 twaalf partijen in een Knesset van 120 zetels, en tussen april 2019 en november 2022 waren vijf verkiezingen nodig omdat kleine partijen de machtsbalans in handen hielden. Dat is precies de omgekeerde klacht: niet dat stemmen verdwijnen, maar dat een handvol zetels de koers van de regering bepaalt.
En overstappen is politiek moeilijk. De poging om de alternative vote in Groot-Brittannië in te voeren werd in 2011 in een nationaal referendum zwaar verworpen, mede omdat kiezers het stelsel te ingewikkeld vonden. Wie het stelsel wil hervormen, moet dus eerst de kiezer overtuigen die het huidige stelsel wél begrijpt.
De verleiding is groot om ja te zeggen, want bij een verkiezing beslis je alleen wie beslist, en bij een referendum beslis je zelf. Er staat ook een rij voordelen tegenover: regeringen horen kiezers direct in plaats van via politici, partijen of belangengroepen, kiezers krijgen vaker iets te zeggen en gaan de kwestie beter begrijpen, politici horen opvattingen die anders onopgemerkt blijven, en een regering die er zelf niet uitkomt heeft een veiligheidsventiel.
Maar de bezwaren gaan niet over de smaak van de uitkomst, ze gaan over de vorm. Een kwestie kan te complex zijn voor een simpel ja of nee. Het oordeel van de kiezer wordt vaak ingegeven door bredere overwegingen dan de propositie op het biljet. Referendums polariseren doordat ze controverse en verdeeldheid aanwakkeren, ze zijn duur, de timing kan beslissend zijn, en te veel referendums vermoeien de kiezer en drukken de opkomst. En dan is er de vraagstelling: voor het Schotse referendum van 2014 wilde de Scottish National Party "Do you agree that Scotland should be an independent country?", tot de kiescommissie het neutralere "Should Scotland be an independent country?" doordrukte, waarna er weer werd gevreesd dat die formulering de ene kant een positieve ja-campagne gaf en de andere een negatieve nee-campagne. Bij een gewone verkiezing bestaat zo'n discussie niet.
De vraag die je zelf moet beantwoorden: als de uitkomst van een referendum afhangt van wie de vraag mag formuleren en wanneer hij gesteld wordt, wie is dan eigenlijk de beslisser?
Omdat die verkiezingen werk doen dat repressie niet doet. Zes op de tien mensen leven onder autoritair bewind, en bijna allemaal krijgen ze verkiezingen van een of andere soort. Die verkiezingen coöpteren de elite, doordat partijleden en grote sociale groepen mogen meedelen in de buit van het ambt, en ze coöpteren de oppositie, doordat een deel van haar zetels krijgt en zij daardoor verdeeld raakt. Ze genereren informatie: het regime ziet waar zijn steun en zijn tegenstand zitten, en dus wie het moet belonen, intimideren of straffen. Ze wenden revolutie af doordat ook de armen mogen stemmen en gekozen worden, ze betrekken burgers via beperkte lokale democratie, en ze laten het regime claimen dat het op de volkswil rust, hoe ongegrond die claim ook is.
Dat verklaart ook waarom het regime de vorm van een verkiezing zo nauwkeurig bewaart. Egypte onder Mubarak (1981-2011) hield vijf presidentsverkiezingen, waarvan vier eigenlijk referendums waarin hij zonder tegenkandidaat officieel nooit onder 94 procent kwam, en zeven rondes parlementsverkiezingen die formeel door meerdere partijen werden betwist. Iran houdt reguliere verkiezingen voor president en parlement, terwijl de Guardian Council de kandidatenlijst zuivert.
De keerzijde is dat de vorm ook een risico is. Smyth (2020) betoogt dat de competitie in Rusland, hoe zwak ook, het land kwetsbaarder maakt voor oppositie dan westerse waarnemers denken, en Nigeria en Turkije laten zien dat in een hybride regime een lage opkomst of zelfs een nederlaag echt mogelijk is.
Begin niet bij het land maar bij de rubriek. Zoek eerst uit in welke van de vier families het stelsel valt: plurality (SMP of SNTV), proportioneel (lijstenstelsel of STV), majority (tweeronden of instant runoff) of gemengd (MMM of MMP). Bepaal daarna drie dingen die het hoofdstuk als onderscheidend behandelt: is er een drempel, en hoe hoog; zijn de lijsten gesloten of open (dus is er preference voting); en gaat het om één kamer of om de lagere kamer van een tweekamerstelsel, want de voorbeelden in tabel 14.1 verwijzen meestal naar de lagere kamer.
Zet daar de voorspellingen van het hoofdstuk naast. Bij een lijstenstelsel: zelden een partij met een zetelmeerderheid, dus coalitievorming, en de kans op versplintering als de drempel laag staat. Bij SMP: stabiele meerderheden, maar een stemmentotaal dat zelden een gelijk zeteltotaal wordt, en veel districten die veilig zijn voor één partij, wat de opkomst drukt. Voor de uitvoerende macht geldt een andere logica: één ambt valt niet te verdelen, dus PR valt daar af en gaat het om de vraag of de winnaar een geloofwaardig mandaat heeft.
Twee valkuilen. Ten eerste: vergelijk gelijksoortige dingen, dus een parlementsverkiezing met een parlementsverkiezing, niet met een presidentsverkiezing. Ten tweede: haal een drempel niet door elkaar met spreidingseisen; het eerste bepaalt wie zetels krijgt, het tweede hoe de steun van een winnende kandidaat over regio's of groepen verdeeld moet zijn.
Wat je zelf moet vaststellen: in welke familie valt het Nederlandse stelsel volgens de kenmerken uit tabel 14.1, en welke van de voorspellingen hierboven zie je in de praktijk terug?
Nog geen antwoord: een vraag om zelf over na te denken.
Omdat er niets is dat hun werk overneemt. Vijf rollen liggen bij partijen: ze geven een regering een fundament, ze bieden kiezers contrasterende beleidspakketten, ze bundelen kandidaten en vertegenwoordigers rond gedeelde labels en doelen, ze mobiliseren burgers en ze werven en steunen kandidaten voor een ambt. Haal partijen weg en die vijf taken blijven bestaan; ze moeten alleen door iets anders worden gedaan, en niemand weet door wat.
Het tweede argument is empirisch. Partijen bestaan in vrijwel elk politiek stelsel, en waar ze níet bestaan is dat geen toeval: de no-party systems liggen bijna allemaal in het Midden-Oosten, in autoritaire regimes waar partijvorming verboden is of nooit is toegestaan. In een open en democratische samenleving ontstaan ze vrijwel onvermijdelijk, omdat kiezers met vergelijkbare opvattingen gaan samenwerken om de regering in handen te krijgen. Dat partijen ofwel worden gemonopoliseerd door een autoritair regime ofwel worden verboden, is een aanwijzing hoe belangrijk ze zijn.
Let wel op waar de kritiek precies op zit. Het verwijt is niet dat partijen niets doen, maar dat ze eerder hun eigen belang en dat van hun leiders behartigen dan dat ze kiezers een keuze bieden, en dat ze niet langer energieke agenten van de samenleving zijn maar deel van de staat zijn geworden. Dat is een argument voor andere partijen, of andere spelregels, niet voor géén partijen.
Begin bij wat de twee stelsels doen. In een tweepartijenstelsel wisselen twee partijen van vergelijkbare grootte elkaar af, met doorgaans een zetelmeerderheid maar niet noodzakelijk een stemmenmeerderheid. Dat laatste is de kern van de zaak: in Groot-Brittannië leverde net geen 44 procent van de stemmen in 2019 een meerderheid van 56 procent van de zetels op. Overzichtelijk is het dus wel, want je weet wie regeert en wie de rekening krijgt bij de volgende verkiezing. Eerlijk in de zin van proportioneel is het niet, en het stelsel houdt zichzelf ook in stand: zonder het meerderheidsstelsel valt het uiteen.
In een meerpartijenstelsel vertegenwoordigen partijen specifieke sociale groepen of opiniegroepen in verdeelde samenlevingen, en wordt het parlement een arena van verzoening waar coalities op kleine verschuivingen vallen. Nederland hoort bij die groep: het valt onder "het grootste deel van Europa" in tabel 15.1, en in tabel 15.2 staan Nederlandse partijen in drie verschillende partijfamilies (Democraten 66 bij de sociaaldemocraten, de Volkspartij bij de liberalen, de Partij voor de Vrijheid bij rechts). De prijs staat er ook bij: Sartori's fragmentatie loopt van gematigd via gepolariseerd naar geatomiseerd, en Denemarken, dat sinds 1909 geen partij met een meerderheid meer heeft gezien, is in die reeks doorgeschoven.
Dan de vraag die je zelf moet beantwoorden: is de vergelijking wel eerlijk als je "duidelijkheid over wie regeert" naast "een parlement dat de verdeeldheid van de samenleving weerspiegelt" zet? Welke van de twee wil je wegen als de kwaliteit van een stelsel, en waarom zou het antwoord in Groot-Brittannië hetzelfde moeten zijn als in Nederland?
Allebei, en dat is precies het punt. De voordelen zijn reëel: staatssteun maakt het speelveld gelijker en vermindert de kansen op corruptie, wat belangrijker is geworden nu ledenaantallen dalen en campagnes duurder worden. Staatssteun aan nationale partijen is in democratieën inmiddels vrijwel universeel.
De nadelen zijn ook reëel. Publieke financiering haalt de prikkel weg om leden te werven, kweekt partijen die eerder de staat dan de kiezer dienen en bevoordeelt grote, gevestigde partijen. Regeringspartijen beslissen zelf over die subsidie en kennen die dus in feite aan zichzelf toe. Dat is de cartel party van Katz en Mair (1995): "colluding parties become agents of the state and employ its resources to ensure their own survival". Het gevolg is niet alleen dat die partijen sterker worden, maar dat ze deel van het politieke establishment worden, hun rol als vertegenwoordiger van bepaalde sociale groepen verzwakken en de groei van nieuwe partijen op de politieke markt tegenhouden.
Voor een tentamenantwoord is de scherpste formulering: publieke financiering lost het probleem van geld op door een probleem van toegang te maken. Wie op de markt zit bepaalt de spelregels van de markt.
De spanning zit in de definitie zelf. Een niche party spreekt een smal deel van het electoraat aan, meestal op niet-economische thema's, en is niet-centristisch of extremistisch, gericht op één of enkele kwesties, of dwars op de traditionele scheidslijnen en partijverhoudingen. Tegelijk staat er dat zulke partijen het best slagen door hun positie te matigen en hun beperkte steun te exploiteren. Matigen betekent opschuiven naar het midden, en dat is exact de beweging die van een partij een catch-all party maakt.
Twee soorten succes helpen het onderscheid maken. Sommige nichepartijen hebben in coalities gezeten, zoals de Freedom Party in Oostenrijk en de Zwitserse Volkspartij; andere zijn nooit gaan regeren maar hebben de agenda van de mainstream beïnvloed, zoals UKIP in Groot-Brittannië. In Zweden zie je een derde variant: de Sweden Democrats groeiden van minder dan 3 procent in 2006 naar ruim 20 procent in 2022 terwijl de sociaaldemocraten terugvielen naar hun laagste aandeel sinds 1911.
Dus: is "niche" een eigenschap van het programma, van de omvang, of van de positie ten opzichte van de andere partijen? En als het de positie is, wat gebeurt er dan met het label zodra de mainstream de standpunten van de nichepartij overneemt?
Nog geen antwoord: een vraag om zelf over na te denken.
Omdat er twee dingen tegelijk waar zijn, en dat is geen tegenspraak maar een spanning die je moet kunnen benoemen. De ene kant: burgers kunnen zich vrij organiseren, gedeelde problemen benoemen en die samen aanpakken zonder van de overheid afhankelijk te zijn. Dat is civil society, en de vrijheid van groepen om zich te organiseren en zich uit te spreken is een maat voor de gezondheid van een democratie. Autoritarisme laat zich juist herkennen aan de beperkingen op dat werk.
De andere kant: het speelveld is niet gelijk. Wie geld, contacten en een belang dicht bij de heersende elite heeft, wordt eerder gehoord, en waar de invloed van verschillende belangen uit balans raakt, kunnen groepen elitisme aanwakkeren en een barrière voor democratie worden. De ijzeren driehoek is daar het scherpste voorbeeld van: bevoorrechte toegang tot de gangen van de macht, met corruptie als risico.
Er zit nog een derde lezing in, die studenten vaak overslaan. De behoefte aan belangengroepen kun je óók lezen als het falen van de overheid: burgers stappen in het gat dat de overheid laat vallen. Wie de eerste twee lezingen naast elkaar zet en de derde toevoegt, heeft het hele argument.
Op die vraag is geen sluitend antwoord te geven, maar hij valt wel op te splitsen. Lobbyen kan worden gezien als een normaal onderdeel van democratische betrokkenheid: een groep brengt kennis en een standpunt naar de plek waar het besluit valt, en de ruil met ambtenaren is tweezijdig, want die krijgen informatie terug voor hun gehoor. Tegelijk roept het scherpe vragen op: geeft het machtige groepen bijzondere toegang, en kan een rijk belang een lobbykantoor betalen om een wetsvoorstel te laten sneuvelen of een regel uit te stellen?
Twee redenen om niet te snel ja te zeggen. Lobbyisten hebben er belang bij hun eigen invloed te overdrijven, want dat is hun verkoopargument. En toegang tot beleidsmakers leidt niet automatisch tot verandering, behalve waar de banden tussen overheid en sleutelbelangen bijzonder sterk zijn, zoals in Japan.
Dan de vraag die je zelf moet beantwoorden: wat zou je moeten kunnen meten om het verschil tussen invloed en omkoping vast te stellen, en zijn die gegevens er eigenlijk wel?
De definitie past op beide: geselecteerde belangen zijn formeel bij het bestuur betrokken en leveren steun in ruil voor toegang. Het verschil zit in de richting waarin het arrangement werkt en in de mate van controle.
In Nederland zitten vakbonden en werkgeversorganisaties samen met door de regering benoemde experts in een raad die de regering economisch advies geeft en als platform voor bemiddeling en onderhandeling dient. De belangen behouden hun eigen organisatie en brengen die naar binnen; in democratieën werkt corporatisme dan ook grotendeels goed. In het Chinese geval waren de massaorganisaties door partijfunctionarissen geleid en brachten zij partijbeleid naar beneden in plaats van zorgen naar boven, als "transmission belts": vakbonden, media, jeugdorganisaties en beroepsverenigingen waren nauwelijks meer dan takken van de partij.
De formulering die je op een tentamen wilt gebruiken: in het autoritaire geval is het doel groepen te erkennen én ze te gebruiken om de invloed van de overheid uit te breiden in een civil society die daardoor niet langer werkelijk civiel is. Zelfde vorm, omgekeerde functie.
Er liggen twee tegenwerpingen klaar. De eerste is empirisch: er zijn sindsdien wél groepen opgekomen voor consumenten en andere gespreide belangen, en sommige hebben een stevige stem gekregen. Trumbull (2012) noemt het daarom een verkeerde lezing van de geschiedenis dat diffuse belangen niet te organiseren zijn; volgens hem weegt legitimiteit zwaarder dan organisatie, en koppelen "legitimacy coalitions" van activisten en toezichthouders hun agenda aan het brede publieke belang.
De tweede is technologisch: internet en sociale media maken het veel makkelijker om mensen met hetzelfde belang te vinden. Daar hoort meteen een rem bij. Een account openen kost bijna niets, en de betrokkenheid blijft vaak steken in wat in hoofdstuk 13 clicktivism heet: een reactie plaatsen, iets doorsturen. Het leidt niet per se tot nieuwe belangengroepen.
Dus: als organiseren goedkoper is geworden maar het volhouden niet, welk deel van Olsons probleem is dan opgelost en welk deel niet? En wat betekent dat voor een groep die niet één campagne wil winnen maar jarenlang aan een dossier wil werken?
Nog geen antwoord: een vraag om zelf over na te denken.
Omdat het rationele model geen beschrijving is maar een ijkpunt. Het zegt hoe beleid eruit zou zien als doelen vóór de middelen werden vastgesteld en als alle effecten van alle opties werden meegewogen. Zonder die maatstaf is er niets om het rommelige werkelijke proces tegen af te zetten.
Zie het aan de kolom "Analyse" in tabel 17.1. Bij het rationele model is die alomvattend, bij het incrementele model selectief (het doel is het meest aanvaardbare beleid, niet het beste) en bij het garbage-can-model nauwelijks aanwezig, want de overheid handelt eerder dan dat ze beslist. Die drie zijn geen concurrenten die elkaar uitsluiten maar een schaal van hoeveel doelgerichtheid je in een geval terugvindt.
Praktisch is het rationele model ook nog steeds het model waarin ministeries hun stukken schrijven: doelstelling, opties, kosten-batenanalyse, keuze. Dat de werkelijkheid daar niet aan gehoorzaamt, betekent niet dat het niet stuurt hoe beleid wordt verantwoord.
Er is iets voor te zeggen. Bij Lindblom (1959, 1979) begint beleid niet bij doelen maar bij belangen: het wordt in kleine stappen bijgesteld, en wat telt is dat de betrokkenen het eens worden over het beleid, niet over de doelen. Dat lijkt op wat een coalitieregering met sociale partners doet, en incrementalisme past nu eenmaal beter bij stabiele hogere-inkomensdemocratieën dan bij landen die zich via ontwikkeling willen omvormen.
Maar let op de sprong die je hier maakt. Een beleidsmodel gaat over hoe één besluit tot stand komt; een beleidsstijl gaat over de bepalende kenmerken van beleid in een land, gebaseerd op waarden, gewoonten en tradities. Zweden laat zien dat die twee niet samenvallen: de enquêtecommissies zijn juist een combinatie van het rationele én het incrementele model, want informatie wordt verzameld en geanalyseerd terwijl georganiseerde tegenstanders alle ruimte krijgen.
Dus: welke van de vier typen uit tabel 17.2 zou je Nederland geven, en op welke van de twee assen twijfel je het meest, de openheid of de vraag of bureaucraten en experts of politici en publiek de toon zetten?
Dat lijkt tegenstrijdig, maar de tabel meet twee dingen op twee assen. Inclusiviteit hangt aan de vraag of het regime democratisch of autoritair is: beide democratische typen hebben hoge inclusiviteit, beide autoritaire typen lage. Open of gesloten hangt aan de vraag wie het beleid maakt: gesloten betekent dat de overheid vooral of alleen met bureaucraten en experts werkt, open dat ze wil horen wat het publiek te zeggen heeft.
Een gesloten democratie is dus een land waarin burgers wel volwaardig meedoen aan de politiek (verkiezingen, rechten, oppositie) terwijl de voorbereiding van beleid grotendeels bij ambtenaren en deskundigen ligt. Duitsland, Mexico, Zuid-Korea en het Verenigd Koninkrijk staan als voorbeeld in die rij.
Dat is precies waarom deze tabel op een tentamen zo bruikbaar is: hij dwingt je de twee assen los van elkaar te lezen. Wie ze samenneemt, denkt dat "gesloten" hetzelfde is als "ondemocratisch", en dan vallen de vier typen terug op twee.
Snelheid zit inderdaad aan hun kant: zodra de leider en de heersende elite vaststellen dat er een probleem is, kunnen middelen erop worden gericht zonder het publieke debat dat een democratie afremt. Moderniserende regimes met een heldere nationale agenda en een stevige greep op de macht kunnen daardoor grote koerswijzigingen doordrukken.
Daar staan drie dingen tegenover. Ten eerste valt met dat debat ook de variëteit aan opvattingen weg: experts worden alleen gehoord zolang hun visie in de lijn van de leiding zit, en problemen die de leiding onbelangrijk vindt blijven liggen. Ten tweede betekenen sterke beleidsvormende instituties niet dat beleid ook geslaagd wordt uitgevoerd; Jackson en Rosberg (1982) beschreven leiders met veel vrijheid om beleid te maken en veel obstakels om het uit te voeren. Ten derde verschuiven de motivaties: onzekerheid over overleven verleidt leiders tot verrijking van zichzelf en hun aanhang, wat middelen wegtrekt van economische en sociale ontwikkeling.
De vraag die daarna overblijft: is dat verschil een kwestie van soort of van graad? Tabel 17.5 zet vijf verschillen naast elkaar, en tegelijk gelden de beleidscyclus, de instrumenten en de effecten van diffusie en convergentie in beide typen, en moet een dictator volgens Williamson en Magaloni (2020) juist delegeren. Waar zou jij de grens leggen?
Nog geen antwoord: een vraag om zelf over na te denken.
Ze zeggen beide, en dat is geen slordigheid maar het gevolg van Schmitters onderscheid. Corporatisme als organisatiestructuur en concertatie als bestuurspraktijk zijn twee verschillende dingen, en ze bewegen niet gelijk op. De structuur staat er nog: publiek aangewezen partners, overlegtafels, adviesraden, akkoorden. Dat deel is zelfs uitgebreid tot buiten het sociaaleconomische domein, met consultaties, rondetafels en city deals. In die zin is het model dominanter dan ooit.
Wat wegvalt, zijn de twee voorwaarden waarop het rust: maatschappelijke steun voor de hiërarchische structuur en een proactieve overheid die het overleg begeleidt en politieke grenzen stelt. Bij het klimaatakkoord met de landbouw staat de structuur er nog, houdt iedereen zich aan de onderhandelingslogica en ontbreken toch de sturing en de legitimiteit. Wie "geïmplodeerd" zegt, bedoelt dat de bond of de koepel niet meer namens zijn achterban kan spreken. Wie "dominant" zegt, kijkt naar het aantal overlegvormen. Voor het tentamen is de nette formulering: de vorm bloeit, de legitimiteit erodeert, en juist die combinatie haalt democratische controle uit het zicht omdat het parlement langs de zijlijn staat.
Aizenberg en Braun noemen dit zelf opmerkelijk: binnen een corporatistisch arrangement heeft een bedrijf niet vanzelf een prikkel om alleen te lobbyen, en toch kregen individuele bedrijven door de tijd meer toegang tot het parlement, de media en ministers. Ze stellen het vast, ze verklaren het niet.
Twee sporen liggen in de tekst voor je klaar. Het eerste is de kant van de organisaties: vakbonden en gevestigde beroepsverenigingen verliezen leden, dus een koepel die minder mensen vertegenwoordigt is een minder aantrekkelijk voertuig voor je belang. Het tweede is de kant van de overheid: als kabinetten deals sluiten met een smalle selectie partijen, telt eerder wie in de kamer zit dan wie een sector representeert. Wat de tekst je niet geeft, is de toets. Bedenk zelf welk gegeven je zou willen zien om tussen die twee te kiezen: ledenaantallen van koepels naast de agenda's van ministers, of iets anders?
De verdediging heeft twee delen. Het eerste is representatie: organisaties kunnen belangen bundelen die bij verkiezingen niet aan bod komen, en werken als transmissieriem tussen burgers en beleidsmakers. Het tweede is bestuurskwaliteit: zij leveren informatie, technische expertise, een rol als tussenpersoon voor een achterban en soms de uitvoering zelf. Daarom heet belangenbehartiging een aanvulling op de representatieve democratie en niet een concurrent ervan. In het corporatistische model staat de rem er bovendien expliciet in: aangewezen organisaties krijgen zeggenschap zolang zij de voorrang van de parlementaire democratie erkennen.
Het probleem is dat die voorwaarden in de Nederlandse praktijk niet allemaal opgaan. Toegang zit bij 200 organisaties, slechts 20 procent daarvan behartigt burgerbelangen, en binnen die burgergroepen zijn hoogopgeleiden en mannen beter vertegenwoordigd. Wie namens wie spreekt is dus precies de vraag, en daarom heet dezelfde rol in dezelfde tekst een zegen en een vloek.
Het is een van de weinige systematische bevindingen die er zijn, en hij is verwarrend: de variatie in ervaren invloed tussen corporatistische en pluralistische regimes is beperkt, en Nederlandse organisaties vertegenwoordigen publieke voorkeuren niet meer of minder dan die in andere EU-landen. Dat zegt echter iets over uitkomsten, niet over de weg ernaartoe. Binnen Nederland ligt de ongelijkheid vast in de toegang: geconcentreerd bij 200 organisaties, met bedrijfsbelangen vooraan, en een dichte belangengemeenschap verlaagt de toegang van de afzonderlijke organisatie zelfs sterker in een volgroeid stelsel als het Nederlandse dan in een jong stelsel als het Sloveense.
Er is nog een uitweg: invloed is berucht moeilijk te meten en vraagt triangulatie van meettechnieken, dus "geen verschil gevonden" kan ook betekenen dat het instrument te grof is. Kies zelf: gaat het corporatisme over wie er binnenkomt of over wat er uitkomt, en welke van die twee zou jij meten?
Nog geen antwoord: een vraag om zelf over na te denken.
Eerst de vraag wat er dan mislukt zou zijn. Multiculturalisme is het bestaan van meerdere culturele of etnische groepen binnen één samenleving, en in die beschrijvende betekenis valt er weinig te mislukken: weinig staten zijn homogeen, en de mate waarin groepen hebben geleerd met elkaar te leven verschilt eenvoudigweg per land. De uitspraken van die leiders gaan over iets anders, namelijk over multiculturalisme als beleid en als ideaal, en dat is een politiek oordeel dat niet zonder meer uit de feiten volgt.
Canada laat zien dat het ook anders kan lopen. De Canadese wet van 1988 erkent dat multiculturalisme de culturele en raciale verscheidenheid van de samenleving weerspiegelt, en erkent de vrijheid van alle leden van die samenleving om hun culturele erfgoed te behouden, te versterken en te delen. Dat is een doelbewuste poging om de nationale identiteit langs die weg te definiëren in plaats van ondanks die weg, al bestaat ook daar in sommige kringen een tegenbeweging die op de Europese lijkt.
De scherpste toets is India. Regionale geschiedenissen die lang gescheiden liepen, een welvaartskloof tussen noord en zuid, een kastenstelsel dat zich taai toont, meer dan duizend talen waarvan er achttien als nationale taal gelden, en een religieuze verhouding die door het hindoenationalisme gespannen is geraakt: Mitra (2017) concludeert dat het juister is over meerdere Indiase politieke culturen te spreken dan over één. Wie dat accepteert, ziet dat de vraag verkeerd staat. Niet het multiculturalisme is mislukt, maar de aanname dat een land normaal gesproken één politieke cultuur heeft.
De empirische kern staat er goed bij. Inglehart (1971) zag welvaart en veiligheid omslaan in aandacht voor kwaliteit van leven, en de verhoudingen verschoven precies zoals hij voorspelde: waar materialisten begin jaren zeventig in veel westerse landen nog vier op één in de meerderheid waren, hielden de twee groepen elkaar rond 2000 ongeveer in evenwicht. Hoger onderwijs bleek de beste voorspeller, en de kloof tussen hoger en lager opgeleiden in Franse peilingen halverwege het vorige decennium was groot genoeg om dat te onderstrepen.
Toch schuurt er iets. Ignazi (1992) verweet het onderzoek dat het alleen naar links keek en op rechts een stille contrarevolutie miste, met een kernideologie die Mudde (2002) omschreef als angst voor de ander, voorrang voor het eigen land en hardere wetshandhaving. Dat is geen materialisme in de oude zin, want het gaat niet over economische groei of fysieke veiligheid alleen, maar het is evenmin postmaterialisme. Een raamwerk met twee vakjes krijgt zo'n beweging niet netjes ondergebracht.
En dan is er de reikwijdte. Het begrip is gebouwd op onderzoek in rijke westerse democratieën, terwijl over politieke cultuur in Mexico, Brazilië, India, Zuid-Afrika en Nigeria juist opvallend weinig te vinden is. Als de theorie verwacht dat welvaart postmaterialisme brengt, wat voorspelt ze dan voor een samenleving waar de welvaart zeer ongelijk verdeeld is? Zou je in zo'n land twee waardenpatronen naast elkaar verwachten, of vraagt dat om een heel ander begrip?
Het scherpste contrast dat er te maken valt, is dat tussen de pluralistische civic culture van Almond en Verba, met haar nadruk op zelfontplooiing, en de vaststelling van Welzel en Inglehart (2009) dat veel autoritaire regimes drijven op een bevolking die gezag en sterk leiderschap boven vrijheid en zelfontplooiing stelt. Ontstaat er in zo'n omgeving toch een democratie, dan is die kwetsbaar, want het is een democratie zonder democraten. Rusland vult dat in met cijfers: een meerderheid die het uiteenvallen van de Sovjet-Unie betreurt, driekwart dat de Sovjettijd de beste periode van het land noemt, en in hetzelfde jaar slechts de helft die het belangrijk vindt leiders te kunnen vervangen.
Er zijn drie redenen om dat contrast niet te hard te maken. De eerste is dat je in een autoritair regime elitecultuur en volkscultuur nauwelijks uit elkaar kunt halen, omdat de macht om één heerser en zijn kring draait en die kring zichzelf als de staat presenteert. De tweede is dat wat op autoritaire cultuur lijkt, ook het gevolg kan zijn van armoede, sociale breuklijnen of kolonialisme, en Mauk (2017) wijst erop dat er nauwelijks systematische vergelijkingen bestaan die dat uit elkaar trekken. De derde is dat het vertrouwen in de overheid in de gevestigde democratieën al decennia daalt, terwijl het in China juist hoog gemeten wordt, wat het beeld van twee tegenpolen niet bevestigt.
De eerlijkste conclusie is daarom dubbel. Er is een verschil, maar het zit eerder in wat mensen van politiek verwachten dan in de vraag of ze een politieke cultuur hebben, en dat verschil is minder scherp en minder goed onderzocht dan de tweedeling suggereert. Wie elk protest in een dictatuur als een roep om democratie leest, ziet vooral wat hij hoopt te zien, want democratie kan daar net zo goed begrepen worden als orde, nationale autonomie en een sterke economie.
Drie gevallen maken het ongemak zichtbaar. China scoort hoog op vertrouwen in het politieke stelsel, maar niemand kan zeggen of dat oprecht geloof is of voorzichtigheid bij mensen die weten wat openlijke kritiek op een autoritair regime kost. Japan scoort laag, bijna twee derde van de Japanners zegt de eigen regering niet te vertrouwen, terwijl het land juist hoog staat op de ranglijsten voor democratie, vrijheid en afwezigheid van corruptie. En Groot-Brittannië, in de jaren zestig het schoolvoorbeeld van vertrouwen en burgerzin, staat er nu laag bij, deels door de aanhoudende spanningen die economische ongelijkheid veroorzaakt.
Het probleem zit in de vraag zelf. Vertrouwen laat zich niet objectief vaststellen zoals een opkomstcijfer, want het is intuïtief en gevoelsmatig, en het antwoord hangt af van wat de respondent op dat moment voor zich ziet: het stelsel als geheel, de regering van vandaag, of de persoon die toevallig in het nieuws is. Peilingen die dat onderscheid niet maken, leggen alle drie tegelijk vast in één percentage.
Daar komt bij dat de richting van het verband niet vaststaat. Daalt het vertrouwen omdat instituties slechter presteren, of omdat de mensen erin zich slechter gedragen, of simpelweg omdat de economie tegenzit? Bedenk eens welke vraag je zou stellen om die drie uit elkaar te halen, en of je antwoord dan nog vergelijkbaar is tussen een land als Noorwegen en een land als Nigeria.
Nog geen antwoord: een vraag om zelf over na te denken.
Samenvatting Politiek en samenleving · Oefenen met Politiek en samenleving · Bekijk prijzen