ISW jaar 1 · UvA (P&S)

Tentamenanalyse Politiek en samenleving

Welke onderwerpen krijgen de meeste ruimte, waar liggen de punten en wat kost de meeste denkkracht? De stof van Politiek en samenleving doorgerekend, met de plekken waar studenten in dit vak de mist in gaan. Gratis te lezen.

Hieronder lees je hoe de stof van Politiek en samenleving over twaalf hoorcolleges verdeeld is, waar de punten liggen en welke colleges het meeste denkwerk kosten. Het vak heeft twee deeltentamens met een verschillende vorm: op 24 september krijg je meerkeuzevragen over de colleges 1 tot en met 6, op 19 oktober open vragen over de colleges 7 tot en met 12. Die twee vormen vragen iets anders van je, en dat loopt door alles hieronder heen. De laatste sectie verdeelt je uren over de zes weken, met die twee data als ankerpunten.

Onderwerpen van Politiek en samenleving naar aandeel, verwachte punten, moeilijkheid en studietijd
OnderwerpAandeel in de stofverwachte puntenMoeilijkheidStudietijd
Centrale concepten10%10%4 van 510%
Politieke regimes10%10%3 van 59%
Theorie en methodologie10%10%5 van 511%
Politieke instituties10%10%3 van 59%
Van verkiezing tot beleid9%9%3 van 59%
Partijen en bewegingen9%9%3 van 59%
Kiezers en publieke opinie9%9%3 van 58%
Media en communicatie7%7%3 van 57%
Van micro tot macro9%8%4 van 59%
Internationaal en de EU9%10%4 van 510%
Crisis van de democratie?4%4%3 van 54%
Kritische perspectieven4%4%5 van 55%

Aandeel in de tentamenstof

Elk college heeft zijn eigen voorgeschreven literatuur, en het aandeel telt hoeveel teksten dat er zijn. De meeste colleges hebben er drie, meestal een of twee hoofdstukken uit McCormick, Hague en Harrop plus een artikel. College 8 over media en communicatie heeft er twee, en de colleges 11 en 12 hebben er allebei een. Daardoor ligt bijna alles dicht bij elkaar: vier colleges staan op 10 procent, vijf op 9 procent, media en communicatie op 7 procent, en crisis van de democratie en kritische perspectieven op 4 procent. Zo'n gelijkmatige verdeling zegt alleen iets over hoeveel je leest, niet over hoe lang je erover doet. Theorie en methodologie is met 10 procent even groot als politieke instituties, maar vraagt 11 procent van je tijd tegen 9 procent, want Mair en Mudde gaan over hoe je een begrip maakt en dat leest trager dan een hoofdstuk over parlementen. Kritische perspectieven is met een tekst het kleinste onderwerp en staat toch op de hoogste moeilijkheid. Lees het aandeel dus als een schatting van je leeswerk. Waar de punten vallen staat in de volgende grafiek.

Zo pak je het aan: Pak de literatuurlijst erbij en vink per college af welke teksten je echt gelezen hebt. Bij de meeste colleges staan er drie, en het artikel is meestal het stuk dat blijft liggen. Een college waar twee vinkjes ontbreken is geen klein gat, want dan mis je twee derde van dat onderwerp.

Puntenverdeling per onderwerp

De punten volgen het aandeel bijna overal. Twee onderwerpen wijken af: van micro tot macro is 9 procent van de stof en 8 procent van de punten, en internationaal en de EU is andersom, 9 procent van de stof en 10 procent van de punten. Belangrijker is waar de punten vallen. De colleges 1 tot en met 6 zijn samen 58 van de 100 punten, en die haal je op donderdag 24 september met meerkeuzevragen. Centrale concepten, politieke regimes, theorie en methodologie en politieke instituties staan daar elk op 10 punten, van verkiezing tot beleid en partijen en bewegingen op 9. De colleges 7 tot en met 12 zijn samen 42 punten, en die haal je op maandag 19 oktober met open vragen. Internationaal en de EU is daar met 10 punten het zwaarste onderwerp, daarna kiezers en publieke opinie met 9 en van micro tot macro met 8. Crisis van de democratie en kritische perspectieven staan allebei op 4. Voor de eerste helft leer je vooral onderscheiden: welk begrip hoort bij welk geval, en waar loopt de grens tussen een presidentieel, een parlementair en een semi-presidentieel stelsel. Voor de tweede helft leer je verbinden: twee teksten naast elkaar leggen en een standpunt onderbouwen met wat je gelezen hebt. Dezelfde stof, twee manieren van kennen.

Zo pak je het aan: Neem de zes colleges van 24 september en schrijf per college twee begrippen op die makkelijk door elkaar lopen, bijvoorbeeld een hybride regime en een autoritair regime. Zet er in een zin achter waaraan je ze uit elkaar houdt. Precies daar zit een meerkeuzevraag in.

Moeilijkheidsgraad van de onderwerpen

Twee colleges staan op de hoogste moeilijkheid, een 5. Theorie en methodologie is het eerste. Daar leer je niet wat iets is, maar hoe je bepaalt wat iets is. Mair legt de ladder van abstractie uit, het idee dat een begrip meer gevallen dekt naarmate het algemener wordt en dan ook steeds minder zegt, en Mudde bouwt daar een definitie van radicaal rechts mee op. Dat is abstract werk, en het valt op het meerkeuzetentamen van 24 september, waar je die redenering in een enkele vraag moet herkennen. Kritische perspectieven is het tweede. Cox vraagt niet wat een theorie beweert, maar voor wie hij werkt, en daar is weinig feitelijks aan vast te houden. Drie colleges staan op een 4. Centrale concepten, omdat de derde dimensie van macht bij Lukes gaat over macht die je juist niet ziet, want er ontstaat geen conflict. Van micro tot macro, omdat je van gedrag van een enkel persoon naar patronen op systeemniveau moet redeneren. Internationaal en de EU, omdat Snyder, Huntington en Said met elkaar in debat zijn en je de posities zelf uit elkaar moet halen. De overige zeven colleges staan op een 3. Die zijn niet licht, maar wel geordend: definitie, typen, voorbeeld.

Zo pak je het aan: Pak een begrip, bijvoorbeeld democratie, en schrijf er drie definities bij: een die twintig landen dekt, een die er vijf dekt en een die er een dekt. Je merkt meteen welke eigenschappen je inlevert als je hoger klimt. Dat is de ladder van abstractie, en die gebruik je in elk ander college weer.

Waar leg je je prioriteit?

Het kwadrant zet punten en denkwerk naast elkaar. Onder eerst leren staan drie colleges: centrale concepten, theorie en methodologie en internationaal en de EU. Ze tellen elk 10 punten en staan op moeilijkheid 4 of 5, dus ze verdienen je eerste en beste uren. Twee ervan tellen op 24 september, internationaal en de EU pas op 19 oktober. Snelle punten is het grootste vak: politieke regimes, politieke instituties, van verkiezing tot beleid, partijen en bewegingen en kiezers en publieke opinie. Samen 47 punten bij moeilijkheid 3, en vier van de vijf tellen mee op 24 september. Dat is het beste rendement per uur in dit vak. Onder kost tijd vallen van micro tot macro, 8 punten bij moeilijkheid 4, en kritische perspectieven, 4 punten bij moeilijkheid 5. Ze tellen allebei op het open tentamen, dus sla ze niet over. Juist zo'n tekst is het gereedschap waarmee je een standpunt onderbouwt. Bijvangst zijn media en communicatie, 7 punten, en crisis van de democratie, 4 punten. Crisis van de democratie blikt terug op het hele vak, dus die leest als een samenvatting en hoort aan het eind van je tweede ronde.

Zo pak je het aan: Zet hoofdstuk 2 en Mair vooraan in je herhaalronde, ook al is theorie en methodologie pas het derde college. De ladder van abstractie en de vraag hoe je een begrip afbakent komen daarna bij elk onderwerp terug. Een uur vooraf scheelt je verwarring in de colleges erna.

Je studieplan

De kolom studietijd verdeelt 100 procent van je uren over de twaalf colleges, twee per week over zes weken. De eerste drie weken zijn samen 57 procent, en dat is precies wat telt op 24 september. Week 1 vraagt 19 procent: centrale concepten (10) en politieke regimes (9). Week 2 is met 20 procent de zwaarste van het blok, doordat theorie en methodologie in zijn eentje 11 procent kost naast politieke instituties (9). Week 3 vraagt 18 procent, van verkiezing tot beleid en partijen en bewegingen, elk 9. Voor het eerste deeltentamen hoef je uit de tweede helft dus niets te kennen, en dat is de winst van twee losse toetsen: je leert zes colleges goed in plaats van twaalf half. De tweede helft is samen 43 procent en telt op 19 oktober. Week 4 is met 15 procent de lichtste, kiezers en publieke opinie (8) en media en communicatie (7). Week 5 loopt weer op naar 19 procent, van micro tot macro (9) en internationaal en de EU (10). Week 6 vraagt 9 procent, crisis van de democratie (4) en kritische perspectieven (5). Dat is weinig leeswerk, en juist daarom is week 6 de week waarin je het schrijven van open antwoorden kunt oefenen.

Zo pak je het aan: Zet nu drie uur in je agenda in week 5, voor internationaal en de EU. Dat is met 10 punten het zwaarste onderwerp van het tweede deeltentamen, en het bestaat uit drie artikelen die elkaar tegenspreken. Die uren komen er later niet vanzelf bij.

Kernbegrippen per onderwerp

Centrale concepten

Politiek (politics)
Het proces waarin mensen onderhandelen over beslissingen die voor de hele groep gelden, terwijl de overheid de institutie is.
Governance
Het proces waarlangs beslissingen, wetten en beleid tot stand komen, waarbij formele overheidsinstituties kunnen meedoen maar niet hoeven.
Macht (power)
Het vermogen om te bereiken wat je voor ogen hebt, desnoods door anderen iets af te dwingen.
Autoriteit (authority)
Het recht om te regeren, dus macht die mensen aanvaarden; macht zonder dat recht rust op dwang.
Soevereiniteit (sovereignty)
Besturen en beslissen binnen een gebied zonder dat een macht van buiten of van binnen erboven staat.
Legitimiteit (legitimacy)
Of mensen het gezag aanvaarden, een politieke vraag; legaliteit vraagt alleen of de regel volgens de procedure is gemaakt.
Natie (nation)
Een groep die zich verbonden voelt door geschiedenis, taal of cultuur; een staat is juridisch gezag over grondgebied.
Driedimensionale visie (three-dimensional view)
Macht die voorkomt dat conflict ontstaat door voorkeuren te vormen, terwijl de eerste twee visies zichtbaar conflict nodig hebben.

Politieke regimes

Polyarchie (polyarchy)
Heerschappij door velen: vrije verkiezingen en vrije informatie, maar niet de gelijke rol die democratie veronderstelt.
Liberale democratie (liberal democracy)
Vertegenwoordiging plus grondwettelijke bescherming van individuele rechten, dus verkiezingen alleen zijn niet genoeg.
Illiberale democratie (illiberal democracy)
De regering is netjes gekozen, maar verzwakt daarna rechten en vrijheden; een gebrekkige democratie bestuurt alleen slecht.
Burgerlijke vrijheden (civil liberties)
Rechten tegenover de overheid, verticaal; burgerrechten gelden ook tussen burgers onderling, horizontaal, zoals bescherming tegen discriminatie.
Hybride regime (hybrid regime)
Ziet er deels democratisch uit, maar de heersers manipuleren instituties, wetten en beleid om te blijven zitten.
Autoritarisme (authoritarianism)
Een heersende elite bestuurt zonder open mandaat van de burgers, duldt geen oppositie en beperkt het pluralisme.
Totalitarisme (totalitarianism)
De meest absolute vorm: één leider, één ideologie en controle tot in het privéleven, dus verder dan autoritarisme.
Personalisme (personalism)
Gezag berust op persoonlijke banden met de leider in plaats van op het ambt en vaste regels.

Theorie en methodologie

Most similar system (MSS) en most different system (MDS)
MSS verklaart een verschil tussen sterk gelijkende landen, MDS verklaart een overeenkomst tussen sterk verschillende landen.
Empirische en normatieve benadering (empirical, normative approach)
Empirisch gaat over hoe iets is en wat je waarneemt, normatief over hoe het zou moeten zijn.
Ladder van abstractie (ladder of abstraction)
Hoe hoger een begrip staat, hoe minder eigenschappen het heeft en hoe meer gevallen eronder vallen.
Concept stretching
Een begrip zo ver oprekken dat er meer gevallen in passen, waardoor het niets scherps meer zegt.
Classificatie en typologie (classification, typology)
Een classificatie deelt in klassen die elkaar uitsluiten en alles dekken, een typologie combineert er twee of meer.
Minimumdefinitie en maximumdefinitie (minimum, maximum definition)
De minimumdefinitie noemt wat alle leden delen, de maximumdefinitie zo veel mogelijk kenmerken, dus een kleinere groep.
Nativisme (nativism)
Alleen de eigen groep hoort in de staat te wonen, dus nationalisme plus afkeer van het vreemde.
Populisme (populism)
Een dunne ideologie die het zuivere volk tegenover de corrupte elite zet en de algemene wil vooropstelt.

Politieke instituties

Gecodificeerde en ongecodificeerde constitutie (codified, uncodified constitution)
Gecodificeerd staat in één document, ongecodificeerd verspreid; dat zegt nog niets over hoe makkelijk je hem wijzigt.
Rechterlijke toetsing (judicial review)
De bevoegdheid van een rechter om wetten of overheidshandelingen ongeldig te verklaren als ze met de constitutie strijden.
Rechterlijk activisme en rechterlijke terughoudendheid (judicial activism, judicial restraint)
Activistische rechters durven beleid te beïnvloeden, terughoudende rechters vernietigen een wet alleen als die overduidelijk ongrondwettig is.
Head of state en head of government
De head of state is het ceremoniële boegbeeld, de head of government leidt de regering; soms is dat dezelfde persoon.
Presidentiële executive (presidential executive)
President en parlement worden apart gekozen, terwijl een parlementaire executive uit het parlement voortkomt en daar verantwoording aflegt.
Semi-presidentiële executive (semi-presidential executive)
Een gekozen president naast een benoemde premier; komen zij uit verschillende partijen, dan heet dat cohabitation.
Zwak en sterk bicameralisme (weak, strong bicameralism)
Bij zwak bicameralisme is de lagere kamer sterker, bij sterk houden beide kamers elkaar ongeveer in evenwicht.
Vertrouwensstemming (vote of confidence)
Verliest de regering deze stemming, dan treedt zij af; een motie van afkeuring raakt één minister en bindt meestal niet.

Waar het bij Politiek en samenleving meestal misgaat

Deze fouten volgen uit de stof zelf: begrippen die op elkaar lijken, voorwaarden die samen moeten gelden, een uitzondering die blijft hangen als hoofdregel.

Agendamacht als derde dimensie

Wat er misgaat: Je noemt de macht over de agenda de derde dimensie van Lukes. Alles wat buiten een openlijke stemming gebeurt, schuif je op een hoop, en je gebruikt niet-besluitvorming en het vormen van voorkeuren door elkaar.

Hoe het wel moet: De eerste dimensie is de openlijke botsing bij een beslissing, en die komt van de pluralisten rond Dahl. De tweede is de niet-besluitvorming van Bachrach en Baratz: een kwestie wordt van de agenda gehouden, maar er is nog altijd conflict te zien, af te lezen aan grieven, dus aan klachten die mensen wel of nog niet hebben uitgesproken. Pas de derde, van Lukes zelf, vormt wat mensen willen, zodat er helemaal geen conflict meer ontstaat en er alleen latent conflict overblijft tussen hun reële belangen en die van de machtigen.

Waardoor het komt: De tweede en de derde dimensie zijn allebei onzichtbaar, en dat voelt als een categorie. De derde is bovendien de bekendste van de drie, dus zet je die naam onder elk verborgen machtsspel dat in een vraag langskomt.

Waaraan je het herkent: Zodra een vraag namen noemt of vraagt of er nog conflict waarneembaar is, hangt het antwoord aan de grens tussen de tweede en de derde dimensie.

Most similar en most different omgedraaid

Wat er misgaat: Je kiest de onderzoeksopzet op de casussen in plaats van op de vraag. Twee landen die sterk op elkaar lijken noem je most different omdat je hun verschil onderzoekt, en landen die nauwelijks op elkaar lijken noem je most similar.

Hoe het wel moet: Most similar systems: je kiest landen die sterk op elkaar lijken om een verschil te verklaren, want alles wat ze delen valt daarmee af als verklaring. Most different systems: je kiest landen die in veel opzichten verschillen om een overeenkomst te verklaren, want al die verschillen vallen dan af. Zoek in de vraag dus eerst wat er verklaard wordt, en kijk pas daarna hoe de landen zich tot elkaar verhouden.

Waardoor het komt: De namen slaan op de casussen, terwijl de logica over de uitkomst gaat, dus het woord wijst je precies de verkeerde kant op. In een antwoordoptie staat bovendien vaak alleen de naam, zonder de redenering waaraan je hem zou kunnen herkennen.

Waaraan je het herkent: Elke vraag met twee of meer landen en het woord verklaren dwingt je eerst te bepalen of de uitkomst een verschil of een overeenkomst is.

Staat, natie en overheid door elkaar

Wat er misgaat: Je gebruikt staat, land, natie en overheid als vier woorden voor hetzelfde. In een vraag over de Koerden noem je ze dan een staat zonder erkenning, terwijl het boek ze een natie zonder staat noemt. En als het kabinet valt, schrijf je dat de staat ophoudt te bestaan.

Hoe het wel moet: De staat is het juridische en politieke gezag over een begrensd grondgebied met een bevolking. De overheid is het orgaan dat die staat bestuurt, en dat orgaan wisselt terwijl de staat blijft. De natie is een culturele groep die zich herkent in een gedeelde geschiedenis, taal of mythen, en die valt zelden samen met een staat: de natiestaat is de uitzondering, de multinationale staat met meerdere naties onder een regering is de regel.

Waardoor het komt: In het dagelijks taalgebruik dekken die woorden elkaar inderdaad: Nederland is een land, een staat en een natie, en het heeft een overheid. Het boek trekt de grens juist scherp, omdat het staten met elkaar vergelijkt en dan precies moet weten wat het telt.

Waaraan je het herkent: Zodra een vraag gaat over de Koerden, over België of over een regering die valt, staat een van deze drie begrippen op de plek van een ander.

Macht, gezag en legitimiteit

Wat er misgaat: Je noemt macht en gezag hetzelfde, en je noemt een regel legitiem zodra hij volgens de juiste procedure tot stand is gekomen. Een junta, een groep officieren die na een staatsgreep regeert, heet bij jou daarom het gezag van het land.

Hoe het wel moet: Macht is het vermogen om te bereiken wat je voor ogen hebt. Autoriteit is het erkende recht om te regeren, en juist die erkenning maakt haar volgens Weber efficiënter dan dwang. Legitimiteit is die erkenning door de eigen burgers en door andere staten, terwijl legaliteit alleen de technische vraag is of een regel volgens de juiste procedure is gemaakt.

Waardoor het komt: Wie de macht heeft, geeft in de praktijk ook de bevelen, dus lijkt het onderscheid overbodig. Bovendien vertaal je authority en legitimacy allebei losjes met gezag, waardoor je in een antwoordoptie niet meer ziet welk van de twee er staat.

Waaraan je het herkent: Een vraag met een staatsgreep, een junta of een regime dat wel de macht heeft maar niet het recht, test precies dit onderscheid.

Illiberale democratie is geen dictatuur

Wat er misgaat: Je zet elk regime dat de pers knevelt of rechters onder druk zet meteen in de bak autoritair. Een land waar de winnaar van eerlijke verkiezingen daarna de rechtsstaat uitholt, krijgt bij jou hetzelfde etiket als Noord-Korea.

Hoe het wel moet: In een illiberale democratie zijn de verkiezingen echt, maar holt de gekozen winnaar daarna burgerrechten en vrijheden uit. In een hybride regime zijn de verkiezingen zelf al gemanipuleerd, terwijl partijen er nog wel om de macht strijden, wat Levitsky en Way competitive authoritarianism noemen, dus concurrentie binnen een autoritair kader. In een autoritair regime ontbreekt het open mandaat van de burgers helemaal en wordt oppositie niet geduld.

Waardoor het komt: Het boek werkt met een glijdende schaal en snijdt die pas daarna in categorieën, dus de grenzen liggen dicht bij elkaar. De begrippen overlappen ook echt: het boek zegt zelf dat de illiberale democratie en het hybride regime elkaar raken.

Waaraan je het herkent: Een vraag waarin er wel degelijk verkiezingen zijn maar iets anders wringt, vraagt om de grens tussen deze drie.

Ladder van abstractie verkeerd om

Wat er misgaat: Je denkt dat een begrip breder wordt zodra je er eigenschappen bij zet. In een vraag over de ladder van abstractie, de rangorde van begrippen van algemeen naar bijzonder, kies je daarom het antwoord waarin een zwaardere definitie meer landen dekt.

Hoe het wel moet: Extensie, het aantal gevallen dat onder een begrip valt, en intensie, het aantal eigenschappen ervan, ruilen tegen elkaar: meer van het een is minder van het ander. Wil je hoger op de ladder en dus meer gevallen dekken, dan laat je eigenschappen vallen, zoals regime boven democratie en niet-democratie staat en ze allebei omvat. Wie een begrip met dezelfde eigenschappen over meer gevallen uitsmeert, klimt niet maar rekt op, en dat heet concept stretching.

Waardoor het komt: Een zwaardere definitie voelt sterker, en sterker voelt als meer. Uitbreiden van de definitie lijkt bovendien op uitbreiden van het bereik, terwijl het bij Sartori precies het omgekeerde doet.

Waaraan je het herkent: Zodra een antwoordoptie een definitie zwaarder maakt en tegelijk een breder bereik belooft, klopt er iets niet.

Radicaal rechts is niet extreem rechts

Wat er misgaat: Je gebruikt populistisch, radicaal en extreem rechts als drie woorden voor dezelfde partijen. Populisme noem je de kern van de familie, en elke partij die tegen de elite ageert valt bij jou onder de definitie van Mudde.

Hoe het wel moet: De kern is nativisme, dus nationalisme plus afkeer van het vreemde, en dat is de minimumdefinitie waar alle leden aan voldoen. Op de ladder komt daar autoritarisme bij en dan heet het radicaal rechts, en pas met antidemocratie erbij extreem rechts: radicaal rechts aanvaardt de volkssoevereiniteit, dus het idee dat het volk het laatste woord heeft, en verwerpt alleen de liberale waarborgen, terwijl extreem rechts de democratie zelf verwerpt. Populisme is geen trede maar een subtype: een dunne ideologie van het zuivere volk tegenover de corrupte elite, die van deze familie de populistische variant maakt.

Waardoor het komt: In het nieuws lopen die termen inderdaad door elkaar, en Mudde beschrijft zelf hoe zijn vakgebied tientallen namen gebruikt zonder ze te definiëren. Dat de naam populistisch radicaal rechts met populistisch begint, helpt daarbij niet.

Waaraan je het herkent: Een vraag die een partij plaatst of een naam laat kiezen, test welk kenmerk erbij komt en niet hoe fel de partij optreedt.

Toetsing en cassatie door elkaar

Wat er misgaat: Je noemt elke hoogste rechtbank een constitutioneel hof en elke uitspraak daarvan rechterlijke toetsing. Het verschil tussen abstract en concreet toetsen sla je over, en cassatie behandel je als een ander woord voor toetsing.

Hoe het wel moet: Rechterlijke toetsing is de bevoegdheid om wetten of overheidshandelen ongeldig te verklaren wegens strijd met de constitutie, terwijl cassatie het herzien van uitspraken van lagere rechtbanken is. Een supreme court naar Amerikaans model hoort bij een gedecentraliseerd stelsel, waarin ook gewone rechtbanken mogen toetsen, en het toetst concreet, dus binnen een echte zaak met een benadeelde partij. Een constitutioneel hof naar Europees model hoort bij een gecentraliseerd stelsel, waarin alleen dat hof mag toetsen, en het doet dat vooral abstract, op verzoek van aangewezen instituties en vaak voordat een wet werkt.

Waardoor het komt: Beide bevoegdheden gaan over rechters die het laatste woord hebben, dus lijken ze een en dezelfde. Het boek zet bovendien twee modellen naast elkaar die in het spraakgebruik allebei de hoogste rechtbank heten.

Waaraan je het herkent: Let op zodra een vraag zegt dat de zaak wordt aangebracht door de regering of een groep parlementariërs in plaats van door een benadeelde burger.

Vertrouwensstemming in een presidentieel stelsel

Wat er misgaat: Je laat het parlement in een presidentieel stelsel de president wegsturen met een vertrouwensstemming. Of je gebruikt afzetting en de motie van afkeuring als twee namen voor hetzelfde middel.

Hoe het wel moet: In een parlementair stelsel komt de uitvoerende macht voort uit de wetgever en valt zij bij een verloren vertrouwensstemming, terwijl de premier omgekeerd vervroegde verkiezingen kan uitschrijven. In een presidentieel stelsel worden president en parlement apart gekozen, bestaat er geen vertrouwensstemming en is afzetting de weg: in de Verenigde Staten klaagt het Huis van Afgevaardigden aan en oordeelt de Senaat. Een motie van afkeuring richt zich op een enkel lid van de regering, noemt een reden en is meestal niet bindend.

Waardoor het komt: In beide stelsels kan het parlement de uitvoerende macht raken, dus lijkt het een instrument met verschillende namen. Je eigen ervaring met een kabinet dat valt, stuurt je bovendien richting het parlementaire antwoord.

Waaraan je het herkent: Een vraag waarin een regering of president tussentijds vertrekt, test eerst welk stelsel er beschreven wordt.

Autoritair en totalitair door elkaar

Wat er misgaat: Je noemt elk hard regime totalitair en gebruikt dat woord als de zwaarste variant van autoritair. Een militaire junta of een absolute monarchie, waar een vorst zonder grondwettelijke grenzen heerst, krijgt bij jou dat etiket omdat het bewind er streng is.

Hoe het wel moet: Autoritarisme wil vooral controle en laat binnen een beperkt kader nog participatie toe: het regime eist gehoorzaamheid, geen geloof. Totalitarisme is gebouwd rond een opperste leider, een leidende ideologie en volledige controle tot in het privéleven, en het wil burgers niet alleen controleren maar ook mobiliseren. Noord-Korea is het laatste voorbeeld, en de meeste autoritaire regimes van nu zijn dat juist niet.

Waardoor het komt: Totalitair klinkt als heel erg autoritair, en zo gebruiken mensen het woord ook buiten de collegezaal. Het verschil zit alleen niet in de hardheid van het optreden, maar in de reikwijdte ervan.

Waaraan je het herkent: Let op zodra een vraag het privéleven, een enkele ideologie of het mobiliseren van burgers noemt.

Staatshoofd en regeringsleider door elkaar

Wat er misgaat: Je noemt een president altijd de baas van het land en een koning altijd een decorstuk. In een vraag over een parlementair stelsel schrijf je dan dat de president de regering leidt, terwijl hij daar het ceremoniële staatshoofd is.

Hoe het wel moet: Het staatshoofd is het boegbeeld dat boven de partijen staat en in het algemeen belang optreedt, meestal met vooral ceremoniële taken. De regeringsleider is de gekozen leider van de regering, die zijn partijvoorkeur juist niet verbergt en steun zoekt bij kiezers en partij. Een presidentieel stelsel legt beide rollen bij een persoon, een parlementair stelsel verdeelt ze over twee, en in een semi-presidentieel stelsel deelt de gekozen president het regeringsleiderschap met een premier die hij benoemt.

Waardoor het komt: In de systemen die het vaakst in het nieuws zijn, vallen de twee rollen samen, want de Amerikaanse president is allebei tegelijk. Het woord president zegt op zichzelf niets over de rol: Ierland, Duitsland en Israël hebben er ook een zonder uitvoerende macht.

Waaraan je het herkent: Zodra een vraag een land noemt met zowel een president als een premier, moet je eerst uitzoeken wie van de twee welke rol vervult.

Correlatie als oorzaak lezen

Wat er misgaat: Je leest een verband tussen twee kenmerken als bewijs dat het ene het andere veroorzaakt. Rijke landen zijn vaker democratisch, dus concludeer je dat welvaart democratie voortbrengt. Een geval dat ver van de lijn ligt noem je dan een tegenbewijs.

Hoe het wel moet: Een correlatie is een verband tussen variabelen en zegt op zichzelf niets over de richting of de oorzaak ervan. De moderniseringstheorie van Lipset is daarom een tendens met uitzonderingen: rijke oliestaten zijn niet democratisch, terwijl Botswana en Mongolië dat juist wel zijn. Een uitschieter, het geval dat het verst van de voorspelde lijn ligt, levert een hypothese op en geen bewijs.

Waardoor het komt: Het boek geeft in bijna elk hoofdstuk zulke verbanden, en de tekst eromheen leest als een verklaring. Daar komt bij dat de sociale wetenschappen niet verder komen dan tendensen, terwijl je uit andere vakken vaste wetten gewend bent.

Waaraan je het herkent: Zodra een antwoordoptie woorden als leidt tot, zorgt voor of veroorzaakt gebruikt bij een verband uit een figuur of tabel, ligt deze fout klaar.

Nu weet je waar je moet beginnen

De samenvatting van Politiek en samenleving volgt de colleges, week voor week. Week 1 lees je gratis met een account.

Begin gratis met week 1 · Samenvatting Politiek en samenleving · Bekijk prijzen

Let op: deze analyse is een inschatting op basis van de samenvatting van dit vak, niet van eerdere tentamens. De grafieken laten zien hoe zwaar de onderwerpen in de leerstof wegen en hoe complex ze zijn. Gebruik ze om je prioriteiten te bepalen, niet als blauwdruk voor het tentamen. Een goede voorbereiding blijft altijd breder dan wat je hier ziet.