De vragen en discussies die bij Verdieping in de sociale theorie: De handelende mens horen: verbanden, tegenstellingen en denkfouten uit de stof. 26 vragen, waarvan 24 met een antwoord dat vrij te lezen is.
Omdat het product ergens heen moet. Als de arbeider vreemd tegenover zijn eigen product staat, moet iemand anders het bezitten, en dat is een mens die zelf niet werkt. De vervreemde arbeid brengt dus de kapitalist voort, en daarmee het privé-eigendom. Marx vergelijkt het met de goden: die zijn niet de oorzaak van de verwarring in het hoofd, maar het gevolg. Later versterken de twee elkaar wel, want privé-eigendom is ook het middel waardoor arbeid vervreemd blijft.
Zijn hele betoog rust op het soortwezen: vrije, bewuste activiteit als het wezen van de mens. Wie dat wezen anders invult, ziet ook andere vervreemding. Een bezorger die zijn werk puur als geld ziet, is dan misschien niet vervreemd maar nuchter. Kan Marx zonder een beeld van de ware mens, of valt de kritiek dan weg?
Omdat het fetisjisme geen vergissing in je hoofd is, maar de vorm waarin die verhouding werkelijk bestaat. Producenten werken los van elkaar en ontmoeten elkaar pas in de ruil, dus daar krijgt hun arbeid pas een sociaal karakter. Marx vergelijkt het met de lucht: die bleef dezelfde nadat men haar gassen had ontdekt. De wetenschap komt post festum, achteraf, en legt de arbeidstijd bloot zonder de waardevorm op te heffen.
Robinson is alleen, de horige is persoonlijk onderworpen, het boerengezin verdeelt het werk naar sekse en leeftijd. Doorzichtig zijn die verhoudingen zeker, vrij zijn ze niet. Alleen de vrije associatie is allebei, en die bestaat nog niet. Bewijst het rijtje dan dat doorzichtigheid kan, of alleen dat zij tot nu toe een prijs had?
De volgorde is het hele argument. Dat iedereen slaapt is algemeen, maar niemand legt het op. Dat iedereen om elf uur in de collegezaal zit is collectief: het moet, en daarom doet iedereen het. Een sociaal feit is dus algemeen omdat het collectief is, niet andersom. Verwar het feit ook niet met zijn individuele incarnaties, de vorm die het in één persoon aanneemt. Een spreekwoord bestaat ook als niemand het vandaag uitspreekt.
Zijn bewijs zit in het verzet: wie afwijkt, voelt de druk. Maar als een afwezig gevoel geen tegenbewijs is en verzet juist het bewijs, dan bevestigt elke uitkomst de stelling. Denk aan de lucht die gewicht heeft. Welk waarneembaar geval zou Durkheim ongelijk geven, en heeft een begrip dat niets uitsluit nog scherpte?
Nee, hij zegt het omgekeerde. Gelovigen voelen door de eeuwen heen hetzelfde, en zoiets kan geen inbeelding zijn. De kracht die zij ervaren bestaat echt, alleen is zij iets anders dan zij denken: de samenleving zelf. Het beeld, god of totem, is een symbool. Durkheim vergelijkt het met warmte. Je huid voelt haar echt, en toch beschrijft de natuurkundige de oorzaak anders. Wie hier illusie schrijft, mist het argument waar de conclusie op rust.
Bij Marx legt de mens zijn kracht in God en houdt hij zelf minder over: verlies, en dus op te heffen. Bij Durkheim projecteert de groep haar eigen kracht naar buiten en tilt zij haar leden juist op: onmisbaar. Zelfde mechanisme, tegengestelde waardering. Wat maakt het verschil, het mechanisme zelf of wat ermee gebeurt?
Het is een meetlat. Weber bedenkt hoe een handeling zou verlopen als iemand volkomen rationeel was, met zijn doel gegeven en alle omstandigheden bekend. Daarna meet hij hoe ver de werkelijkheid afwijkt, en die afwijking is wat verklaard moet worden. Een gemiddelde is het dus niet, want het is juist scherper dan elk echt geval. En het zegt niets over wat wenselijk is. De sociologie is alleen in haar methode rationalistisch.
Weber legt de verklaring bij het individu, maar het geloof dat de wetten gelden treft ieder mens al kant en klaar aan. Durkheim zou zeggen: dat is precies een sociaal feit, extern en dwingend. Verklaart Weber die voorstelling dan wel, of schuift hij haar door naar iets wat hij zelf niet mag aannemen?
Omdat hij haar vergelijkt met wat ervoor kwam: bestuur door notabelen, vertrouwelingen en gunsten per geval. Daarnaast is het apparaat een machine naast handwerk, dus precies, snel, eenduidig, continu en goedkoop per zaak. Zijn zorg is niet dat het slecht werkt, maar dat het zo goed werkt dat niemand er nog omheen kan. De ambtenaar is een radertje dat er niet uit kan, en de bestuurden kunnen het apparaat niet missen.
Hij bezit zijn ambt niet, werkt met andermans middelen en zit vast in een machine die alleen de top stilzet. Dat is Marx' scheiding van werker en middelen, maar dan op kantoor. Weber legt de oorzaak alleen bij de rationalisering, niet bij eigendom. Schaf je het eigendom af, dan houd je het apparaat. Wat blijft er over van de uitweg?
Nee. Hij ziet de verschillen wel, maar hun betekenis en waarde komen hem zinloos voor, en daarmee de dingen zelf ook. Alles ziet er vlak en grijs uit. Wie intellectueel dood is wordt juist niet blasé, want je moet eerst geprikkeld kunnen worden. Er zijn twee bronnen: uitgeputte zenuwen door de snel wisselende prikkels, en geld dat elk verschil uitdrukt als hoeveel. De prijs is dat je jezelf daarna ook waardeloos gaat voelen.
Hij noemt geld de frightful leveler en spreekt van uitgeputte zenuwen, een verkommerde persoonlijkheid en de mens als radertje. Dat zijn geen neutrale termen. Toch sluit hij af met de opdracht te begrijpen. Zit het oordeel dan in de woorden of alleen in de conclusie, en welke van de twee telt?
In de eerste plaats is het een gemis. Du Bois noemt het tweede gezicht een gave, maar een gave die geen echt zelfbewustzijn oplevert: je meet je ziel met de maatlat van een wereld die op je neerkijkt. Zijn doel is de twee zelven verenigen zonder er één op te geven, niet de verdeeldheid vieren. Het is ook niet hetzelfde als twee culturen kennen. Wie dat schrijft, maakt van een last een vaardigheid.
In wie de afstand bepaalt. De stedeling kiest zijn reserve en koopt er vrijheid mee. De sluier wordt opgelegd en dringt door tot in het zelfbeeld. Toch kiest ook de stedeling niet echt, want de stad dwingt hem ertoe. Is het verschil dan absoluut, of een kwestie van hoeveel speelruimte iemand krijgt?
Het “me” is de georganiseerde verzameling houdingen van anderen die je hebt overgenomen: je rol, je plichten, wat men van je verwacht. Het “I” is je reactie daarop, en die kent niemand vooraf, jijzelf ook niet. Pas na de handeling komt het in je ervaring, en dan is het alweer een “me” waar je naar kijkt. Het zijn geen masker en kern, maar twee fasen van één proces: zonder het ene geen het andere.
Hij legt het hele zelf uit als sociaal proces, en zet er dan een fase naast die per definitie buiten dat proces valt. Je kunt haar nooit betrappen, dus ook nooit onderzoeken. Redt die zet de handelende mens, of is het juist de plek waar de theorie ophoudt met verklaren?
Vroeger hield de dreiging van andermans geweld je in toom. Sinds de staat het geweldsmonopolie heeft, is die dreiging onpersoonlijk, voorspelbaar en zo vertrouwd dat je haar nauwelijks voelt. In de samenleving is de dwang alleen nog als mogelijkheid aanwezig, en de werkelijke dwang oefen je op jezelf uit. Dat leer je van jongs af, tot het een automatisch apparaat wordt: een tweede natuur die weet wat een uitbarsting kost.
Zijn bewijs is de koppeling: langere ketens en een geweldsmonopolie, en daarom stabielere zelfbeheersing. Maar hij schrijft zelf dat wie goed en wie slecht aangepast raakt eerder geluk is dan planning. Wat zou dan als tegenvoorbeeld tellen, een samenleving met lange ketens en losse emoties, of bestaat die per definitie niet?
Omdat de industrie het publiek eerst stuurt en daarna zelf de behoefte schept waarop zij zich beroept. Elke ronde maakt het systeem strakker. Ook de techniek is een excuus, want zij dankt haar macht over de samenleving aan wie economisch het sterkst staat. Dat een radiofeuilleton, een jamsessie en een verfilmde Tolstoj hetzelfde recept volgen, laat zien dat de spontane wens van het publiek gebakken lucht is. Vraag dus wie plant en wie verdient.
Die doorzichtigheid is bij hen geen zwakke plek in het systeem, maar de triomf ervan. Daarmee geldt de analyse ook voor de kritische lezer, dus voor jou. Als inzicht niets verandert, is de theorie dan nog een verklaring, of een gesloten cirkel waar geen enkele waarneming meer buiten valt?
Omdat een delict hem terugbrengt in de rechtsorde. Hij krijgt een advocaat, een dossier, een proces en een straf die in het wetboek staat, en hij weet dat hij niet zomaar wordt uitgezet. Als dader is hij een uitzondering binnen een orde, als staatloze een uitzondering buiten elke orde. Arendt gebruikt dat als toets: zou een misdrijf je positie verbeteren, dan sta je buiten het recht in plaats van erin.
Arendt geeft Burke gelijk: rechten die van binnen de natie komen werken, abstracte mensenrechten niet. Maar dan ligt het eerste recht in handen van precies de groep die het kan intrekken. Alleen de mensheid zelf zou het kunnen garanderen, en die vertegenwoordigt niemand. Waarop steunt het recht om rechten te hebben dan nog?
Nog geen antwoord: een vraag om zelf over na te denken.
Nog geen antwoord: een vraag om zelf over na te denken.
Samenvatting Verdieping in de sociale theorie: De handelende mens · Oefenen met Verdieping in de sociale theorie: De handelende mens · Bekijk prijzen