ISW jaar 2 · UvA (HM)
Welke onderwerpen krijgen de meeste ruimte, waar liggen de punten en wat kost de meeste denkkracht? De stof van Verdieping in de sociale theorie: De handelende mens doorgerekend, met de plekken waar studenten in dit vak de mist in gaan. Gratis te lezen.
Hieronder lees je wat het practicumtentamen van 20 oktober met de twaalf teksten van dit vak doet: hoeveel stof elke tekst is, hoe zwaar hij meetelt, hoeveel denkwerk hij kost, in welke volgorde je hem aanpakt en hoe je je uren verdeelt. Dat is bij dit vak iets anders dan een lijstje samenvattingen, want je krijgt drie open vragen die telkens twee denkers aan elkaar knopen en waarvan er minstens een een casus is. De vijf stukken hieronder helpen je dus vooral kiezen waar je tijd heen gaat en welke verbanden je klaar wilt hebben liggen.
| Onderwerp | Aandeel in de stof | verwachte punten | Moeilijkheid | Studietijd |
|---|---|---|---|---|
| Marx: vervreemde arbeid | 8% | 8% | 4 van 5 | 8% |
| Marx: warenfetisjisme | 6% | 6% | 5 van 5 | 7% |
| Durkheim: sociale feit | 5% | 6% | 3 van 5 | 6% |
| Durkheim: religie | 10% | 9% | 4 van 5 | 9% |
| Weber: handelen en betekenis | 15% | 15% | 5 van 5 | 15% |
| Weber: bureaucratie | 7% | 7% | 3 van 5 | 6% |
| Simmel: de grote stad | 9% | 8% | 4 van 5 | 8% |
| Du Bois: dubbel bewustzijn | 5% | 6% | 3 van 5 | 5% |
| Mead: het zelf | 12% | 12% | 5 van 5 | 12% |
| Elias: zelfdwang | 8% | 8% | 4 van 5 | 8% |
| Adorno: cultuurindustrie | 7% | 7% | 5 van 5 | 8% |
| Arendt: recht op rechten | 8% | 8% | 4 van 5 | 8% |
De twaalf teksten zijn niet even lang en niet even dicht beschreven. Weber over handelen en betekenis is met 15 procent van de stof veruit het grootste blok: sociaal handelen, de vier handelingstypen, het ideaaltype als meetlat om echt gedrag mee te vergelijken en Verstehen, het begrijpen van wat een handeling voor iemand betekent, staan allemaal in dat ene stuk. Daarna komen Mead over het zelf met 12 procent en Durkheim over religie met 10 procent. Aan de andere kant staan Durkheims sociale feit en het dubbele bewustzijn van Du Bois, allebei goed voor 5 procent. Die twee zijn kort, en juist daarom worden ze onderschat. Het sociale feit is een definitie met twee kenmerken en een regel, maar het is wel de definitie waar Weber, Simmel, Mead en Elias zich alle vier tegen afzetten of op voortbouwen. Du Bois beslaat een hoofdstuk, en dat hoofdstuk is het scherpste voorbeeld van wat Mead in het algemeen beschrijft. Omvang zegt hier dus hoeveel uren lezen een tekst kost, niet hoe vaak je hem nodig hebt. Een korte tekst die in vier vergelijkingen past, weegt zwaarder dan zijn percentage laat zien.
Zo pak je het aan: Pak vanavond de twee kortste teksten erbij, Durkheim over het sociale feit en Du Bois, en schrijf van allebei de kerndefinitie op een kaartje over, in je eigen woorden en met het paginanummer erbij. Je bent er samen een half uur mee kwijt en je hebt daarna twee bouwstenen die in bijna elke vergelijking terugkomen.
De puntenkolom telt op tot honderd, maar het tentamen bestaat uit drie open vragen over zes weken stof. Er kunnen dus hooguit zes teksten aan bod komen, en waarschijnlijk minder. Lees deze percentages daarom als een kans en een gewicht tegelijk: ze zeggen hoe waarschijnlijk het is dat een tekst in een vraag zit en hoe zwaar hij dan meetelt, niet dat alles langskomt. Weber over handelen staat op 15 procent en Mead op 12 procent omdat zij allebei gereedschap leveren dat je op elke casus kunt leggen, en Durkheim over religie volgt met 9 procent. De teksten die zich het best lenen voor een vraag die twee theorieën verbindt, zijn de teksten die over hetzelfde verschijnsel iets anders beweren. Weber tegenover Durkheim: bestaat de samenleving buiten mensen of in wat zij doen. Marx over vervreemding tegenover Webers ambtenaar die een radertje is. Mead tegenover Du Bois: jezelf zien door de ogen van anderen als algemene regel, tegenover jezelf zien door de ogen van wie op je neerkijkt. Simmel tegenover Elias: afstand die je zelf kiest, tegenover dwang die van binnen is gaan zitten. Wie die paren klaar heeft liggen, doet drie vragen met zes teksten in plaats van twaalf.
Zo pak je het aan: Maak vanavond vijf paren op vijf regels: twee namen, de ene vraag waarover zij het oneens zijn, en achter elke naam het paginanummer waar dat staat. Neem de oefenvraag van het werkcollege van deze week als model, want die heeft precies die vorm en laat zien hoe strak je het verband moet formuleren.
Vier teksten staan op moeilijkheid 5, de hoogste score, en ze zijn om verschillende redenen zwaar. Marx over het warenfetisjisme is de kortste van de vier en toch zin voor zin de lastigste: hij redeneert over waarde, en waarde is niets wat je kunt aanwijzen. Weber over handelen en betekenis is zwaar door de omvang en het vocabulaire, want zweckrational, wertrational, ideaaltype en Verstehen komen vlak achter elkaar langs en elk begrip steunt op het vorige. Mead schrijft over het zelf in termen die hij zelf bedenkt, het I en het me, in een tekst die uit college-aantekeningen is opgebouwd, dus de draad ligt niet aan de oppervlakte. Horkheimer en Adorno schrijven met opzet tegendraads: hun zinnen keren telkens om wat je net dacht te lezen. Aan de andere kant staan drie teksten op 3. Durkheims sociale feit en Webers bureaucratie zijn allebei rechttoe rechtaan opgebouwd, met kenmerken die je kunt tellen. Du Bois is zwaar in wat hij beschrijft, maar niet in hoe hij het opschrijft, want hij denkt in beelden en de sluier staat voorop.
Zo pak je het aan: Neem vanavond alleen het warenfetisjisme en lees het twee keer: de eerste keer zonder te markeren, de tweede keer met een vraag in je hoofd, namelijk waar de verhouding tussen mensen staat die zich voordoet als een eigenschap van een ding. Schrijf het antwoord daarna in drie zinnen op met de tekst dicht.
De prioriteitskolom deelt de twaalf teksten in vier bakjes in, en bij dit vak zijn er maar drie gevuld. In eerst leren staan Weber over handelen, Mead over het zelf en Durkheim over religie, samen goed voor 36 procent van de punten en alle drie stevig denkwerk. Die drie doe je terwijl je hoofd nog fris is, niet in de laatste week. In kost tijd staan er zes: Marx over vervreemde arbeid, Marx over het warenfetisjisme, Simmel, Elias, Adorno en Arendt. Die zijn pittig, maar leveren elk zes tot acht punten, dus je wint weinig door ze tot op de zin uit te pluizen. Lees ze op hun redenering en op wat zij aan een andere denker vastknopen. In bijvangst staan Durkheims sociale feit, Webers bureaucratie en Du Bois, samen 19 procent van de punten en alle drie moeilijkheid 3. Die bewaar je voor de laatste dagen, want ze kosten weinig en leveren meteen iets op. Het bakje met snelle punten, veel punten voor weinig moeite, is leeg. Dat is de eerlijke boodschap van dit vak: geen enkele tekst krijg je cadeau.
Zo pak je het aan: Zet vanavond drie blokken van twee uur in je agenda voor Weber, Mead en Durkheim over religie, verspreid over de komende twee weken, en zet ze voor al je andere leesafspraken. Valt er later iets uit, dan valt de bijvangst uit en niet deze drie.
De kolom studietijd verdeelt honderd procent van je leesuren over de twaalf teksten. Weber over handelen krijgt 15 procent, Mead 12 en Durkheim over religie 9. Vijf teksten krijgen er allemaal 8: Marx over vervreemde arbeid, Simmel, Elias, Adorno en Arendt. Marx over het warenfetisjisme krijgt 7, het sociale feit en de bureaucratie allebei 6, en Du Bois 5. Reken dat om naar uren die je werkelijk hebt. Trek je veertig uur uit tot 20 oktober, dan is dat zes uur voor Weber, bijna vijf voor Mead en twee voor Du Bois. Tot het tentamen heb je ongeveer zes weken, en dat zijn precies de zes collegeweken met elke week twee teksten, dus de verdeling loopt vanzelf mee als je in de week zelf leest. Houd per week een uur over voor de oefenvraag van het werkcollege, die de literatuur van die week verbindt met die van de week ervoor. Reserveer de laatste week helemaal voor die verbanden en niet voor nieuwe stof. Je hebt op 20 oktober zeven uur voor drie vragen met de teksten binnen handbereik, dus die week gaat over snel vinden en precies verbinden, niet over onthouden.
Zo pak je het aan: Zet vanavond de zes weken in je agenda met de twee teksten van die week erachter, en schrijf achter de laatste week alleen: verbanden, geen nieuwe stof. Blok daarna per week een uur voor de oefenvraag van het werkcollege en geef dat blok die naam, dan schuif je het minder makkelijk weg.
Deze fouten volgen uit de stof zelf: begrippen die op elkaar lijken, voorwaarden die samen moeten gelden, een uitzondering die blijft hangen als hoofdregel.
Wat er misgaat: Je behandelt Durkheims sociale feit en Webers ideaaltype als twee namen voor hetzelfde: allebei een begrip waarmee je greep krijgt op een casus. Je schrijft dan dat de bureaucratie een sociaal feit en een ideaaltype is, en gaat door. Het verschil tussen wat bestaat en wat je zelf bedenkt, valt weg.
Hoe het wel moet: Een sociaal feit bestaat: het is er buiten de mensen, het dwingt, en je bestudeert het als een ding. Een ideaaltype bestaat nergens: het is met opzet overdreven, scherper dan elk echt geval, en je meet er de afwijking mee die je daarna verklaart. Zeg dus per begrip of het over de werkelijkheid gaat of over je meetlat. Precies daar zit de vraag of de samenleving los van individuen bestaat.
Waardoor het komt: Allebei zijn het abstracties die je op een casus loslaat, en ze komen vlak na elkaar langs als gereedschap. Weber bouwt zijn ideaaltype bovendien op uit echte kenmerken, dus het leest als een beschrijving van iets dat er is.
Waaraan je het herkent: De vraag zet Durkheim en Weber naast elkaar en jij wilt schrijven dat beiden dezelfde structuur beschrijven.
Wat er misgaat: Je leest vervreemding als een stemming: de arbeider vindt zijn werk saai en voelt zich er niet bij betrokken. In een casus zoek je dan naar mensen die klagen, en wie plezier in zijn werk heeft noem je niet vervreemd. Marx' begrip wordt zo een woord voor werkonvrede.
Hoe het wel moet: Vervreemding is bij Marx een verhouding, geen gevoel. Toets die verhouding: van wie is het product, van wie is de arbeidshandeling zelf, en dient het werk nog iets anders dan overleven. Het gevoel is een gevolg dat ook kan ontbreken, en de vierde vorm, waarin je de ander ziet als concurrent of baas, laat zien dat het om posities gaat.
Waardoor het komt: Het woord klinkt psychologisch, en in gewoon Nederlands betekent vervreemd raken van iets dat een band koud wordt. Marx beschrijft de vier vormen bovendien met gevoelswoorden: kwelling, en je pas thuis voelen als je niet werkt.
Waaraan je het herkent: De casus vertelt vooral wat iemand van zijn werk vindt, en niet wie zijn product bezit.
Wat er misgaat: Je vat Durkheim samen als: religie is een illusie, want de god die mensen aanbidden bestaat niet. In een casus over een ritueel schrijf je dan dat de deelnemers zichzelf iets wijsmaken. Zijn conclusie wordt zo een ontmaskering.
Hoe het wel moet: Durkheim zegt het omgekeerde. De ervaring is echt, want de kracht die gelovigen voelen bestaat werkelijk. Alleen is het beeld, dus de god of het totem, een symbool, en is de oorzaak de samenleving. Vergelijk het met warmte: het gevoel is echt, terwijl de natuurkundige de oorzaak anders beschrijft dan je huid. Schrijf dus echte ervaring, ander object, en bouw daarop je conclusie.
Waardoor het komt: De zin dat de god van de clan de clan zelf is, klinkt als doorprikken. Marx gebruikt religie in week 1 wel zo, als verlies, en die twee lezingen lopen makkelijk door elkaar. In gewone taal betekent het is eigenlijk maar dit bijna altijd een ontkenning.
Waaraan je het herkent: De vraag gaat over een bijeenkomst zonder god, zoals een herdenking of een kampioensfeest, en jij wilt schrijven dat het eigenlijk nergens over gaat.
Wat er misgaat: Je leest Webers bureaucratie als traag, log en zinloos, en gebruikt de casus om te laten zien hoeveel formulieren er zijn. Zijn zorg wordt in jouw antwoord dat het apparaat slecht werkt. Daarmee zeg je het tegenovergestelde van de tekst.
Hoe het wel moet: Bij Weber is de bureaucratie technisch superieur: precisie, snelheid, berekenbare regels en afhandeling zonder aanzien des persoons, dus een machine naast handwerk. Zijn zorg is dat zij zo goed werkt dat niemand er nog omheen kan. De ambtenaar is een radertje, de bestuurden kunnen het apparaat niet missen, en de revolutie maakt plaats voor de greep naar de top. Laat dus eerst zien wat die kilte oplevert, en noem de prijs daarna.
Waardoor het komt: Bureaucratie is in het dagelijks taalgebruik een scheldwoord. En de voorbeelden die je kent, zoals een afwijzing die niemand kan terugdraaien, voelen als falen.
Waaraan je het herkent: De casus levert een klacht op over regels, en jij wilt Weber die klacht laten bevestigen.
Wat er misgaat: Je maakt van het me een sociaal masker en van het I de echte persoon eronder. Daarna schrijf je dat de samenleving dat I onderdrukt. Mead wordt zo een theorie over een waar zelf dat wordt weggedrukt.
Hoe het wel moet: Het zijn twee fasen van een proces. Het I bestaat alleen als reactie op een me, en je kent het pas achteraf, want het I van nu is het me van zo meteen. Zonder me is er niets om op te reageren. Schrijf dus dat het me je verantwoordelijk maakt en het I iets nieuws inbrengt, en dat de noodzaak daardoor moreel is en niet mechanisch.
Waardoor het komt: De tweedeling nodigt uit tot denken in binnen tegenover buiten, en het idee van een echt zelf achter de rol hoor je overal. Naast Elias, bij wie een innerlijke bewaker de driften afremt, ligt die lezing helemaal voor de hand.
Waaraan je het herkent: Je wilt bij Mead het woord onderdrukken gebruiken, of spreken over zijn echte zelf.
Wat er misgaat: Je verklaart de gelijkvormigheid van media uit de techniek: het algoritme, de schaal, het gemak van kopieren. Of je legt het bij het publiek, dat dit nu eenmaal wil. Je sluit af met de opmerking dat mensen erin trappen.
Hoe het wel moet: Bij Horkheimer en Adorno is techniek het excuus en economische macht de oorzaak. De industrie stuurt het publiek en schept daarna zelf de behoefte waarop zij zich beroept, en technische rationaliteit is bij hen de rationaliteit van overheersing zelf. Het publiek is niet dom: het doorziet de koopwaar en doet toch mee, en dat meedoen hoort bij het systeem. Vraag dus wie plant, wie verdient, en waarom het publiek niet kan terugpraten.
Waardoor het komt: Dat is de gangbare uitleg van kritiek op platforms, en de tekst staat vol techniek: radio, film en tijdschriften. Het woord massabedrog suggereert bovendien een dom publiek dat bedrogen wordt.
Waaraan je het herkent: Je verklaring begint bij het algoritme, of bij de zin dat de kijker dit nu eenmaal wil.
Wat er misgaat: Je vat Arendt samen als: mensenrechten bestaan niet, het is een mooie verklaring en verder niets. In een casus schrijf je dan dat de vluchteling zijn rechten kwijt is. Daarna kan je antwoord nergens meer heen, want haar eigen begrip komt niet meer aan bod.
Hoe het wel moet: Haar punt is dat de rechten te veel beloofden, niet te weinig. Rechten bestaan binnen een gemeenschap die ze garandeert, en daarom is het lidmaatschap zelf het eerste recht. Laat in de casus zien wat iemand het eerst verliest: een plek waar zijn daden en meningen tellen, nog voordat zijn leven of zijn vrijheid worden aangetast.
Waardoor het komt: Haar toon is scherp, zij geeft Burke gelijk, en onafdwingbaar leest snel als niet echt. Ook de paradox dat de crimineel er beter aan toe is dan de staatloze, klinkt als een afrekening met het hele idee.
Waaraan je het herkent: Je wilt schrijven dat rechten niet echt bestaan, of dat iemand zijn mensenrechten kwijt is.
Wat er misgaat: Je schrijft dat Meads gegeneraliseerde ander, dus de verwachtingen van de hele groep in je hoofd, hetzelfde is als Elias' zelfdwang. Bij allebei zit de samenleving vanbinnen en houdt zij je in toom, en daarna lopen de twee als een verhaal door je antwoord. De vergelijking die de vraag van je wil, maak je dan niet.
Hoe het wel moet: Bij Mead is de gegeneraliseerde ander de voorwaarde om te kunnen denken, en het I doet altijd iets anders dan de situatie vraagt. Bij Elias is de zelfdwang een blind ingeslepen apparaat waar je niet uit kunt, gegroeid uit lange ketens van afhankelijkheid en uit het geweldsmonopolie, dus doordat alleen de staat nog geweld mag gebruiken. Zet dus speelruimte tegenover automatisme, en een opvoeding tegenover eeuwen. Noem bij Elias ook de prijs: de strijd verhuist naar binnen.
Waardoor het komt: Beide teksten staan in dezelfde week en beschrijven inderdaad hoe het sociale naar binnen gaat. Meads gegeneraliseerde ander en Elias' relaisstation, dus de innerlijke bewaker van je driften, klinken allebei als een instantie in je hoofd die meekijkt.
Waaraan je het herkent: Je gebruikt in dezelfde alinea het woord internaliseren voor allebei de denkers.
Wat er misgaat: Je zet Marx' vervreemding en Simmels blase houding naast elkaar als hetzelfde verschijnsel: de moderne mens die zich niet meer verbonden voelt. De casus krijgt dan een verhaal over onthechting. Waar de twee denkers uit elkaar gaan, komt niet aan bod.
Hoe het wel moet: Marx wijst een oorzaak aan, het prive-eigendom en het maken van producten om te ruilen, ziet er alleen verlies in en wil de toestand opheffen. Simmel wijst naar de arbeidsdeling en de omvang van de groep, ziet in dezelfde beweging ook vrijheid ontstaan, en weigert te oordelen. Noem dus per denker de oorzaak, de prijs en wat hij ermee wil, en laat zien wat er met de casus verandert zodra je de oorzaak verplaatst.
Waardoor het komt: Ze lijken sterk op elkaar. Allebei zeggen ze dat wat mensen maken hen gaat beheersen, allebei gebruiken ze het beeld van de mens als radertje, en allebei klinken ze als een klacht over de moderne tijd.
Waaraan je het herkent: Je gebruikt vervreemd en blase in dezelfde zin over dezelfde persoon.
Wat er misgaat: Je plakt het warenfetisjisme op consumenten die gek zijn op merken, sneakers of een nieuwe telefoon. Je schrijft dat mensen te veel waarde hechten aan spullen, en dat ze dat zouden kunnen afleren. Het begrip verhuist zo van de productie naar de winkelwagen.
Hoe het wel moet: Het fetisjisme zit in de vorm van het product, niet in het verlangen van de koper. Producenten werken los van elkaar en komen pas in de ruil met elkaar in contact, en daardoor verschijnt hun onderlinge verhouding als een eigenschap van het ding: de waarde. Marx zegt er nadrukkelijk bij dat die schijn echt is, want weten hoe het werkt verandert er niets aan.
Waardoor het komt: In het dagelijks taalgebruik is een fetisj een obsessie met een voorwerp, dus het woord duwt je richting koopgedrag. En Marx heeft het inderdaad over waren, dus over de dingen die je koopt.
Waaraan je het herkent: De casus gaat over kopers en hun verlangens, en jij wilt daar het woord fetisjisme op zetten.
Wat er misgaat: Je noemt elk gedrag waar anderen bij zijn sociaal handelen: iedereen die tegelijk zijn paraplu opsteekt, een menigte die in vervoering raakt, iemand die een trend nadoet. Daarna leg je de vier typen eroverheen. Je analyse begint dan met een begrip dat op deze casus niet van toepassing is.
Hoe het wel moet: Handelen is pas sociaal als de betekenis die de persoon er zelf aan geeft op anderen is gericht. Stel dus eerst twee voorvragen: op wie is dit gericht, en wat betekent het voor hem. Gelijk gedrag van velen, gedrag dat alleen uit de menigte voortkomt en reactief nadoen vallen erbuiten. Nadoen omdat iets modieus is of aanzien geeft, valt er wel binnen.
Waardoor het komt: Het woord sociaal betekent in gewone taal met anderen, en de vier typen zijn zo aantrekkelijk dat je meteen wilt indelen. Weber zet de uitzonderingen bovendien pas ver na zijn definitie neer, dus in je aantekeningen staan ze los van elkaar.
Waaraan je het herkent: De casus beschrijft veel mensen die hetzelfde doen, en jij wilt daaruit meteen een handelingstype kiezen.
Wat er misgaat: Je maakt van het dubbele bewustzijn een pluspunt: je kent twee werelden en kunt tussen die twee schakelen. In een casus over iemand met twee achtergronden schrijf je dat hij daardoor scherper ziet. Een gemis verandert zo in een gave.
Hoe het wel moet: Bij Du Bois is het in de eerste plaats een gemis. De Amerikaanse wereld gunt hem geen echt zelfbewustzijn, en hij meet zijn eigen ziel met de maatlat van een wereld die met minachting toekijkt. Het tweede gezicht levert dus geen eigen zelfbeeld op. Zijn doel is de twee zelven verenigen zonder er een op te geven, en dat is iets anders dan de verdeeldheid vieren of kiezen.
Waardoor het komt: Du Bois noemt het tweede gezicht zelf een gave, en in hedendaagse taal is bicultureel zijn een kwaliteit. Het woord dubbel klinkt bovendien als meer, niet als minder.
Waaraan je het herkent: De vraag gaat over identiteit en jij wilt schrijven dat het juist een kracht is.
De samenvatting van Verdieping in de sociale theorie: De handelende mens volgt de colleges, week voor week. Week 1 lees je gratis met een account.
Begin gratis met week 1 · Samenvatting Verdieping in de sociale theorie: De handelende mens · Bekijk prijzen
Let op: deze analyse is een inschatting op basis van de samenvatting van dit vak, niet van eerdere tentamens. De grafieken laten zien hoe zwaar de onderwerpen in de leerstof wegen en hoe complex ze zijn. Gebruik ze om je prioriteiten te bepalen, niet als blauwdruk voor het tentamen. Een goede voorbereiding blijft altijd breder dan wat je hier ziet.